InloggenLid worden

  • Exercise therapy in Type 2 diabetes

    S.F.E. (Stephan) Praet

    Universiteit Maastricht, 2007 

    De prevalentie van diabetes mellitus type 2 neemt de komende jaren sterk toe. Alhoewel het positieve effect van lichaamsbeweging bij diabetes mellitus inmiddels is vastgesteld, wordt het in de praktijk nog nauwelijks toegepast als behandeling. In dit proefschrift wordt de haalbaarheid en effectiviteit onderzocht van zowel korte-, middellange-, als langetermijn beweeginterventies in verschillende subpopulaties diabetespatiënten. De acute effecten op de glucoseregulatie werd mede bepaald door continue glucose monitoring (CGMS). CGMS blijkt ook van aanvullende waarde om de glucose ontregeling beter in beeld te brengen.

    Het beweeginterventieprogramma richtte zich in eerste instantie op tweedelijns diabetespatiënten die reeds complicaties hadden ontwikkeld. Uiteindelijk bleek een programma bestaande uit krachttraining en hoog intensieve intervaltraining een daling van bloeddruk en HbA1c te geven, terwijl de fitheid en spierkracht met gemiddeld 15% toenam.
    In vervolgonderzoek werd bij een eerstelijns diabetespopulatie de effectiviteit van een sportief wandelprogramma vergeleken met medische fitness. Beide programma’s bleken na één een jaar gemiddeld even effectief qua bloeddruk en bloedglucoseregulatie. Ondanks een deskundige begeleiding viel 60% na een jaar uit en dit bleek voor de helft terug te voeren op overbelastingsklachten van het bewegingsapparaat.

  • Knees in Need. Neuromuscular control of the ACL deficient knee

    S. (Sietske) van Berkel

    Vrije Universiteit Amsterdam, 2006 

    In dit proefschrift worden enkele studies beschreven waarin de coördinatiepatronen en de schuifkrachten in de knie worden bestudeerd na een voorste kruisband (VKB) ruptuur. In twee verschillende studies werd aangetoond dat patiënten in sommige situaties een lager kniemoment leverden en in condities met kleinere kniehoeken meer co-contractie vertoonden (gelijktijdig aanspannen van knie-extensoren en flexoren), echter niet wanneer er een geïsoleerde schuifkracht op de knie werd gelegd.  
    Met behulp van MRI werden de peesrichtingen van de pezen rond de knie bepaald. Deze studie liet zien dat het onwaarschijnlijk is dat co-contractie direct leidt tot een afname van de voorwaartse afschuifkracht in kniehoeken tussen 0° en 30°. De peesrichtingen werden gebruikt in een EMG-gestuurd model. Hiermee werden de krachten in de knie berekend tijdens strekkingen van het hele been in verschillende houdingen. Geconcludeerd werd dat VKBpatiënten niet selectief een lagere schuif- of compressiekracht produceerden, maar een lagere totale kracht. Opvallend was verder de grote inter-individuele variatie in peeshoeken. Dit suggereert dat de hoeveelheid schuifkracht die wordt geproduceerd en de potentie om schuifkrachten tegen te gaan erg persoonsafhankelijk is. 

  • Diagnosing deep venous thrombosis in primary care

    R. Oudega

    Universiteit Utrecht, 2005 

    Diep Veneuze Trombose (DVT) is lastig te diagnosticeren voor de huisarts vanwege de vaak aspecifieke en soms ook beperkte klachten. Het missen van de diagnose kan ernstige gevolgen hebben door het optreden van een (fatale) longembolie. Iedereen verwijzen voor een echo is niet effectief omdat 80% van de patiënten geen DVT blijkt te hebben.  

    Afzonderlijke symptomen geven helaas geen uitsluitsel over de diagnose. Door gewogen samenvoegen van de symptomen in een Klinische Beslis Regel (KBR) kan met deze regel de kans op DVT bepaald worden. De onderzoeker toont in dit proefschrift aan dat de KBR van Wells, die wereldwijd in ziekenhuizen gebruikt wordt, niet geschikt is voor gebruik door de huisarts. Daarom is met gegevens van huisartspatiënten een nieuwe beslisregel ontwikkeld die wel geschikt is voor gebruik in de 1e lijn.  

    De huisarts kan door toepassen van een D-dimeer test samen met de huisarts-beslisregel bij een groot deel van de patiënten de diagnose DVT uitsluiten. Een lage score van de beslisregel en een normale D-dimeer testuitslag sluit de diagnose uit met slechts 0,7% gemiste DVT. Dat is in dezelfde veiligheidsorde als bij een echo-onderzoek. Slechts een deel van de patiënten hoeft dan doorverwezen te worden voor verdere beeldvormend onderzoek.  

    Lees het proefschrift

  • Etiology, diagnosis and arthroscopic treatment of the anterior ankle impingement syndrome

    J.L. (Hans) Tol

    Universiteit van Amsterdam, 2003 

    et anterieur enkel impingement syndroom (footballer’s ankle) is een oorzaak van chronische enkelklachten bij (top)sporters. In dit proefschrift werd de etiologie, diagnosemethode en arthroscopische behandeling van deze klacht onderzocht.

    Een kadaver- en veldstudie onderschreven niet de vroegere hypothese dat repeterende tractie aan het gewrichtskapsel een oorzaak zou zijn. Wel was er een correlatie met de schietbeweging en plaats van de voetbal op de voet, waarmee de hypothese wordt ondersteund dat de osteofytvorming het gevolg is van repeterende (micro)traumata.
    In het tweede deel van het proefschrift wordt onderzoek gedaan naar röntgenopnamen bij zowel kadavers als sporters. De conclusie van dit onderzoek was dat de combinatie van laterale röntgenopnamen en een AnteroMediale Impingement röntgenopname het betrouwbaarste is.
    Tenslotte worden twee prospectieve klinische trials beschreven van de behandeling van het syndroom door middel van een arthroscopische behandeling en het effect na twee en na 5 – 8 jaar. Patiënten zonder gewrichtsspleetversmalling en minder dan twee jaar pijn voorafgaand aan de behandeling hadden de beste prognose. Bij patiënten met een gewrichtsspleetsversmalling werd echter geen toename van de gewrichtsspleetsversmalling gezien. In tweederde van de gevallen trad opnieuw osteofytvorming op, echter de tevredenheid van de patiënten bleef hetzelfde.

  • Functional vascular problems in the iliac arteries in endurance athletes. A new concept to explain flow limitations: diagnosis and treatment.

    G. (Goof) Schep

    Universiteit Utrecht, 2001 

    In dit proefschrift wordt het fenomeen van vaatafklemming bij sporters onderzocht naar aanleiding van een wielrenner met onverklaarde claudicatio klachten. Het proefschrift bespreekt de diagnose, pathologie en behandeling.

    Naar aanleiding van een case-serie werd onderzocht wat de meest ideale combinatie van diagnostische tests is. Hierbij werd ook gebruik gemaakt van een vergelijking met een controlegroep sporters zonder klachten. Met name gespecialiseerd Echo-doppler onderzoek en de enkel – arm bloeddruk na een inspanningstest was het meest sensitief. MRA toonde een afknikking van de gemeenschappelijke bekkenslagader beter aan dan Echo-doppler, terwijl Echo-doppler bij de beentak het meest efficiënt was.
    De pathologie bleek te bestaan uit een afknikking van de bekkenslagader door een fixatie via een zijtakje aan de heupbuikspier, door verbindweefseling ter plaatse of, zelden, door een te lange slagader.
    Naast de mogelijkheid van vaatreconstructie, werd ook gekeken naar een alternatieve behandeling door het opheffen van de fixatie door het losmaken van de gemeenschappelijke bekkenslagader en de beentak. Bij 20 van de 23 patiënten werd post-operatief zowel een subjectieve als objectieve verbetering gevonden. De conclusie van het proefschrift is dat functionele vaatafklemming vaak (te) laat wordt herkend, maar mits herkend goed behandelbaar is.

  • The lactate and ventilatory response to exercise in endurance athletes

    A.R. (Adwin) Hoogeveen

    Universiteit Maastricht, 2001 

    Lactaat kan in potentie veel bijdragen aan het geven van trainingsadviezen voor topsporters. Tot nu toe ontbrak het echter aan duidelijke definities en interpretaties. In dit proefschrift wordt een overzicht gegeven van de relatie tussen lactaat en de ventilatoire respons, waarbij de theorie wordt getoetst aan de praktijk.

    Bij competitie- en elite wielrenners werd het lactaat bepaald, de ventilatoire respons gemeten en werd de VO2-kinetiek in kaart gebracht. Hierbij werd geconcludeerd dat een enkele lactaatmeting onvoldoende is en de ventilatoire respons een beter beeld geeft van het prestatievermogen. Daarnaast was de snelle zuurstofopname bij het starten van een blokbelasting tekenend voor een goede duurconditie. Bij sporters in wedstrijdvorm kan er zelfs sprake zijn van een zogenaamde O2-overshoot. Verder wordt er een relatie gevonden tussen het grote aantal trainingsjaren en een toegenomen efficiëntie van de duurinspanning, met minder zuurstofopname en kooldioxideafgifte als gevolg.

  • Androgenic-anabolic steroid use in strength athlethes; effects on body compensition and cardiovasculair system 

    L.M.G. (Fred) Hartgens 

    Universiteit Maastricht, 2001

    In dit proefschrift werden de effecten van het gebruik van androgene-anabole steroïden (AAS) op lichaamssamenstelling en het hart- en vaatstelsel onderzocht bij krachtsporters . Hiertoe werden twee studies verricht. In studie 1 werden 16 krachtsporters onderzocht in een dubbelblinde placebogecontroleerde studie die gedurende 8 weken 200 mg nandrolon decanoaat of placebo intramusculair kregen toegediend. In studie 2 werden 35 krachtsporters gevolgd die zelf een “cocktail” van verschillende AAS in zeer hoge (supratherapeutische) doseringen hadden samengesteld, zowel gedurende kortdurend (8 weken) als ook na langduriger (12-16 weken) gebruik van deze middelen. Zij werden vergeleken met krachtsporters die zonder ondersteuning van dopinggeduide middelen trainden.  

    De resultaten toonden dat het gebruik van hoge doseringen AAS gedurende 8 weken tot meer toename van het lichaamsgewicht en de vetvrije massa leidde dan lage doseringen, terwijl ook de grootte van de spiervezels met circa 12% toenam. Tevens bleek dat langduriger (12-16 weken) gebruik van AAS niet tot grotere effecten op de lichaamssamenstelling leidde dan kortdurend (8 weken) gebruik. Nandrolon decanoaat als monotherapie had geen effect op de spiervezelgrootte. 
    AAS hadden geen effect op echocardiografisch bepaalde hartgrootte en –functie, onafhankelijk van de doseringen en van het soort middelen die toegediend werden. Wel leidde toediening van hogere doseringen AAS tot ernstige verstoring van de vetstatus (o.a. cholesterol) in het bloed, hetgeen een verhoogd atherogeen risico inhoudt. Bij de personen die langduriger AAS gebruikten waren deze bijwerkingen ernstiger en na stoppen van AAS gebruik duurde het herstel van de ontregelde vetstatus langer dan bij kortdurende toediening.  

  • The athlete’s heart; a physiological or a pathological phenomenon?

    B.M. (Babette) Pluim

    Rijksuniversiteit Leiden, 1998 

    Naar aanleiding van de onrust over het sporthart werd in dit proefschrift de verschillen tussen het pathologisch vergrote hart en het vergrote hart van een sporter, alsmede de verschillen tussen kracht- en duursporters onderzocht. Hierbij werd gebruik gemaakt van magnetische resonantie imaging (MRI) en spectroscopie (MRS), 2-dimensionale echocardiografische oppervlakte- lengte methoden en één dimensionale M-mode echocardiografie.  

    Bij het opmeten van het hart bleek dat van de echografische methodes, de methode volgens de American Society of Echocardiography het nauwkeurigste was. MRI en MRS lieten zien dat er sprake was van linker ventrikelhypertrofie, echter zonder pathologische veranderingen in vorm, functie of hoog-energetisch fosfaat metabolisme. Er werd geen relatie gevonden tussen de mate van hypertrofie en hartritme variabiliteit. Duursporters hebben doorgaans een groter hart, terwijl krachtsporters een dikker hart hebben. Het verschil is echter niet zo groot dat een atleet op basis hiervan als duur- of krachtsporter geclassificeerd kan worden. 
    De conclusie van het proefschrift is dat het sporthart vooral een fysiologisch fenomeen en geen duidelijk pathologisch fenomeen is. Men zal echter wel alert moeten zijn op uitzonderlijke gevallen van linker ventrikelhypertrofie en ECG-afwijkingen.  

  • The epidemiology of soccer injuries in a new perspective

    H. Inklaar

    Universiteit Utrecht, 1995 

    Voetbal is in Nederland de meest populaire tak van sport. Dit heeft als gevolg dat blessurepreventie bij deze sport sterk in de belangstelling staat. In dit proefschrift werd onderzocht wat begin jaren negentig in de literatuur bekend was over de incidentie, etiologie en preventie van blessures. Vervolgens werd onderzocht welke factoren bepalend zijn voor het krijgen van een blessure.

    Het onderzoek werd verricht bij twee amateurvoetbalverenigingen. Aangetoond werd dat de kans op een blessure het sterkst afhankelijk was van het spelniveau van het team waarin de voetballer speelt. Ook de ernst en de vorm van de blessure waren aan het spelniveau gerelateerd.
    In vervolg hierop werd onderzocht welke blessures bij de sportmedische afdeling van de KNVB werden gepresenteerd. Uit dit onderzoek bleek dat knie- en enkeldistorsies en tendopathieën van de bovenbeenmusculatuur het meest problematisch zijn. Hoe spelers uiteindelijk met blessures omgingen was afhankelijk van het belang en het karakter van de wedstrijd.
    De conclusie van het proefschrift was dat vooral bewustwording van spelers en trainers ten aanzien van sportief gedrag en spelregelkennis prioriteit heeft als primaire preventie van blessures.

  • Photoelectric plethysmography and the behavior of the peripheral circulation during anaesthesia 

    J.A. Nijboer 

    Rijksuniversiteit Groningen, 1993 

    Fotoelektrische plethysmografie (f.e.p.) is een methode om bloedpulsaties in het vaatbed van de huid te registreren. De methode houdt in dat licht wordt uitgezonden naar een weefsel en dat het gereflecteerde en/of het doorvallende licht wordt opgevangen door een detectorcel, wat respectievelijk de reflectie en transmissie methode oplevert.

    De hoeveelheid gedetecteerd licht, die wordt omgezet in een voltage, hangt af van de optische eigenschappen van het weefsel en varieert met de wisselende hoeveelheid bloed in het weefsel, dat op zich veel licht absorbeert. Deze variaties zijn slechts klein t.o.v. de totale hoeveelheid opgevangen licht. Ze kunnen echter apart worden versterkt en geregistreerd, zodat ze het plethysmogram opleveren. Hierin zijn hartsynchrone pulsaties te onderscheiden die van groot klinisch belang zijn voor de bewaking van de circulatie omdat een afname van hun tophoogte (amplitude) een vroegtijdige waarschuwing voor een dreigende verstoring van de algemene circulatie van de patiënt kan betekenen.
    Er wordt in het proefschrift o.a. ingegaan op de voor- en nadelen van deze bewakingsmethode (hoofdstuk 1), fundamentele aspecten van f.e.p. (hoofdstuk 2), waarom er bij patiënten soms een omgekeerd reflectieplethysmogram wordt gevonden (hoofdstuk 3), piek-detector voor het meten van hartsynchrone pulsaties apart en continu (hoofdstuk 4), meetapparatuur (hoofdstuk 5), relatie tussen f.e.p. en volume pulsaties gedurende anesthesie (hoofstuk 6), klinische toepassing van f.e.p. als bewakingsmethode tijdens anesthesie hoofdstuk 7 en 8).

  • Dynamic exercise in human pregnancy 

    M.B. (Marieke) van Doorn 

    Erasmus Universiteit Rotterdam, 1991 

    Tot begin jaren negentig werden zwangere vrouwen geadviseerd terughoudend te zijn met sportbeoefening. Het effect van inspanning op de zwangerschap was tot dusver alleen op proefdieren onderzocht. In dit proefschrift wordt een onderzoek beschreven naar de fysiologische aanpassing van gezonde vrouwen met een ongecompliceerd verlopende zwangerschap op maximale inspanningstesten op de loopband en op de fiets tijdens de 16e, de 25e en de 35e week van de zwangerschap en 7 weken na de bevalling.  

    De resultaten lieten zien dat zwangerschap geen duidelijk effect heeft op het maximale vermogen. De maximale zuurstofopname en de maximale hartfrequentie veranderen niet of nauwelijks en de tijdens de zwangerschap bestaande hyperventilatie blijft tijdens maximale inspanning bestaan. Het moederlijke inspannings-ECG werd niet beïnvloed door de zwangerschap. De bloeddrukwaarden in rust waren bij 16 en 25 weken zwangerschap iets lager dan in het derde trimester en na de bevalling. De bloeddrukrespons op inspanning werd niet door de zwangerschap veranderd. Maximale inspanning verhoogde de foetale hartfrequentie 4 slagen per minuut, waarschijnlijk door de verhoogde lichaamstemperatuur, het patroon bleef echter onveranderd. Na maximale inspanning was de contractiliteit van de uterus licht verhoogd zonder dat er echte weeën ontstonden. 
    De conclusie van het proefschrift was dat inspanning tijdens de zwangerschap niet schadelijk is voor de gezonde moeder en foetus.  

  • Sports injuries in youth; etiology and prevention 

    F.J.G. (Frank) Backx 

    Universiteit Utrecht, 1991 

    Dit proefschrift presenteert en bespreekt observationeel en experimenteel onderzoek met betrekking tot ontstaan en preventie van sportblessures bij jeugdigen.

    Het beschrijvende, epidemiologische onderzoek bestaat uit een transversaal onderzoek bij 7648 leerlingen van 8 tot 17 jaar en een longitudinaal onderzoek bij een representatieve groep uit deze populatie. Retrospectief werd over een periode van 6 weken een incidentie van 10,6 per 100 leerlingen gemeten, waarvan 31% leidde tot consultatie van een arts, 36% resulteerde in verzuim van lessen lichamelijke opvoeding en 6% verzuim van minstens een hele schooldag veroorzaakte. Middels longitudinaal onderzoek bij een representatieve subgroep blijkt dat zaalsporten, contactsporten en sporten met veelvuldig springen alsmede jeugdigen die zeer frequent sporten een verhoogde blessurekans geven.

    Een experimenteel onderzoek bij 471 leerlingen van 12 tot 18 jaar, waarbij gedurende 4 maanden praktische en theoretische vaardigheden werden aangeleerd tijdens lessen biologie en lichamelijke opvoeding, gaf een verbetering van kennis omtrent blessurepreventie. Tevens bleek deze verbetering in kennis een – weliswaar geringe – verbetering van attitude en blessure-incidentie te bewerkstelligen. Naar aanleiding van deze onderzoeken wordt gepleit voor een meersporenbeleid via scholen, media en sportverenigingen. Daarnaast wordt aanbevolen meer aandacht te hebben voor technische en organisatorische maatregelen. De conclusie van het proefschrift is dat verplicht gebruik van beschermende maatregelen en spelregelwijzigingen vermoedelijk meer effect hebben dan voorlichting en opvoeding aangaande blessurepreventie.

  • De ontwikkeling van een selectiemethode in het periodiek preventief sportmedisch onderzoek

    G.C. van Enst 

    Universiteit van Amsterdam, 1990 

    In de zeventiger jaren was er sprake van een toenemend aantal verplichte sportkeuringen, waarbij de vraag ontstond of het noodzakelijk was om een keuring altijd door een arts te laten verrichten. G.C. van Enst onderzocht of het mogelijk was om door middel van een selectiemethode (het periodiek preventief sportmedisch onderzoek, PSMO) de gekeurde sporters in twee groepen te verdelen, één die wel en één die niet door een arts moest worden gezien. De studie bestond uit het onderzoeken van 96 sporters met behulp van vragenlijsten, een biometrisch onderzoek door een fysiotherapeut en een standaard onderzoek door een sportarts. Omdat bij vrijwel elke sporter één of meerdere sportrelevante afwijkingen werden gevonden, werden de sporters vervolgens in groepen ingedeeld op basis van een meer of mindere noodzaak van een keuring. Vervolgens werd gezocht naar een combinatie van factoren op basis waarvan een betrouwbare selectie kon worden gemaakt.

    De conclusie van het proefschrift was dat over de gebruikte selectiemethode geen valide uitspraak kon worden gedaan. Dit werd veroorzaakt door het kleine aantal deelnemers, de gebruikte methode waarmee de afwijkingen werden vastgesteld en het ontbreken van een keuringsconsensus. Wel werd vastgesteld dat de gebruikte selectiemethode een goed hulpmiddel kan zijn bij het geven van een verantwoord sportadvies.

  • Marathon running; Functional changes in male and female volunteers during training and contests 

    G.M.E. Janssen

    Universiteit Maastricht, 1988 

    G.M.E. Janssen heeft gedurende een trainingsperiode van 20 maanden, waarin achtereenvolgens in wedstrijdverband afstanden van 15, 25 en 42 km (marathon) werden gelopen, 114 ongetrainde proefpersonen onder gestandaardiseerde omstandigheden getraind en getest.

    De testperiodes waren zodanig rond de wedstrijden gepland dat eenmaal voor en tweemaal na de betreffende wedstrijdafstand inspanningsfysiologisch is getest. Het herstel kon worden vastgesteld door de testresultaten na de wedstrijd te vergelijken met de testresultaten voor de wedstrijd.

    Het theoretische kader dat is gebruikt is het model belasting-belastbaarheid. Middels katabole chemische processen wordt de benodigde mechanische energie geleverd. Deze katabole toestand veroorzaakt in eerste instantie een verstoring van de homeostase, die in tweede instantie middels anabole processen aanleiding zal geven tot herstel en structurele en functionele adaptatie (het trainingseffect) in het menselijk lichaam.

    Om een verstoorde balans tussen fysieke belasting en belastbaarheid te herkennen is gekeken naar de ‘klassieke’ inspanningsfysiologische variabelen alsmede naar een groot aantal biochemische, morfologische en hormonale variabelen uit bloedonderzoek en spierbiopsieën. Uit de grote hoeveelheid gegevens blijkt o.a. dat er een relatie is tussen de daling van CP-concentratie in de spier direct na een marathon en de testprestatie 3 dagen hierna. Belangrijk is de conclusie dat de bereikte trainingsadaptatie individueel beoordeeld moet worden om overbelasting te vermijden.

  • Onderzoek naar de invloed van de training op de fysieke conditie van een groep militairen 

    J.C. van Gooswilligen 

    Rijksuniversiteit Utrecht, 1965 

    In de afgelopen jaren is de militaire lichamelijke training meer in de algemene belangstelling gekomen, doordat er bij de training voorvallen met dodelijke afloop te betreuren zijn.  

    De behoefte werd gevoeld meer wetenschappelijk geïnformeerd te worden over de training van de Nederlandse soldaat. Dit onderzoek werd dan ook verricht met het doel door prestatiemetingen een bijdrage te leveren tot een meer wetenschappelijke beoordeling van de militaire trainingsmethoden. Daartoe werden de resultaten bestudeerd bereikt bij de opleiding op de Koninklijke Militaire School (K.M.S.) te Weert. 
    Met behulp van de Schneider-test en fietsergometerproeven bleek het mogelijk een indruk te krijgen van de verandering van de fysieke conditie van een groep aspirant beroepsonderofficieren in de eerste periode van hun opleiding. Uit het onderzoek bleek, dat de gemiddelde fysieke conditie van de groep aspiranten na ongeveer 2 maanden een maximum bereikt. Na de 2de maand neemt de gemiddelde fysieke conditie onder invloed van de militaire training niet verder toe. De vraag of militaire training verantwoord is kan met de huidige gegevens niet met zekerheid worden gegeven. Toch lijkt het gerechtvaardigd te zeggen, dat tegen de huidige militaire training geen bezwaar bestaat, mits men in de toekomst aan verschillende aspecten aandacht gaat besteden. Met name wijzigen van het tijdstip van de dienstplichtkeuring en uitbreiding met een sportmedische keuring en in het vervolg van de militaire training sportmedische begeleiding te bieden.  

  • Meld je aan voor de nieuwsbrief.

    * verplicht veld