Wat is sportgeneeskunde?

Sportgeneeskunde is het medisch specialisme dat zich richt op het bevorderen, waarborgen en herstellen van de gezondheid van mensen die (willen gaan) sporten en/of bewegen. Ook richt het zich op het door sport en/of bewegen bevorderen en herstellen van de gezondheid van mensen met chronische aandoeningen. Bij beide facetten wordt uitdrukkelijk rekening gehouden met de specifieke belasting en belastbaarheid (Beroepsprofiel Sportarts, 2012).

Samengevat: de sportarts is de expert op het gebied van fysieke belasting – belastbaarheid in relatie tot sport en/of bewegen

De opleiding tot sportarts is een vierjarige opleiding en bestaat uit verschillende opleidingsonderdelen. De opleiding is opgebouwd uit een aantal onderdelen te weten sportgeneeskunde, wetenschappelijk sportgeneeskundig onderzoek, cardiologie, pulmonologie, orthopedie en huisartsgeneeskunde. De opleiding bestaat voor 70% uit sportgeneeskundige activiteiten en voor 30% uit opleidingsactiviteiten buiten de sportgeneeskunde. De opleiding staat voortdurend onder verantwoordelijkheid van de sportarts-hoofdopleider. De sportarts werkt effectief en doelmatig (niet alleen in samenwerking met de patiënt maar ook met andere in- en externe professionals) en levert hoogstaande patiëntenzorg op integere, oprechte en betrokken wijze. De sportarts draagt waar mogelijk bij aan de onderbouwing van het vakgebied door het doen van wetenschappelijk onderzoek en het delen van deze kennis door middel van publicaties, onderwijs en voordrachten.

Geschiedenis Sportgeneeskunde
Sportgeneeskunde is een relatief nieuwe loot binnen de medische wereld in Nederland. In 1986 werden de sportartsen geregistreerd binnen het register van de Sociale Geneeskunde. Dit was een historisch moment en een grote stap voorwaarts. In de daaropvolgende jaren kwamen er steeds meer nieuwe sportartsen die hun werkzaamheden verlegden van sociaal geneeskundige inhoud naar meer curatief werk. In 1993 startte zelfs een sportarts zijn werkzaamheden in een intramurale setting, hierna volgden vele anderen.

Inmiddels is Sportgeneeskunde per 1 juli 2014 erkend als volwaardig Geneeskundig Specialisme. Daarmee is de sportarts een gelijkwaardige partner geworden van andere medische specialisten waardoor samenwerking en onderlinge doorverwijzing gemakkelijker wordt. Sport en beweging zijn belangrijk voor mensen en de sportgeneeskunde speelt een belangrijke rol bij het verkleinen van de gezondheidsrisico’s van sporten. Sportartsen adviseren op het gebied van preventie en kunnen nadelige gevolgen vroegtijdig onderkennen. Daarmee zijn die gevolgen minder groot en minder ernstig. Vanaf 1 januari 2016 is niemand, dus ook niet ouderen en chronisch zieken die (wil gaan) sporten, nog langer afhankelijk van hun aanvullende verzekering om medische zorg van de sportarts vergoed te krijgen. Vergoeding van het preventief sportmedisch onderzoek blijft wel afhankelijk van de aanvullende verzekering.

Terug naar boven

Doelgroepen van de Sportgeneeskunde
De doelgroepen van de sportgeneeskunde worden gevormd door mensen:

  • die sporten en/of bewegen als doel op zich;
  • die sporten en/of bewegen inzetten als middel:

    • ter bevordering van het herstel of de kwaliteit van leven en/of;
    • ter preventie van (verergering van chronische) aandoeningen.

Meer specifiek kunnen binnen de sportgeneeskunde vijf doelgroepen worden onderscheiden,. Elke doelgroep heeft specifieke zorgvragen aan de sportgeneeskunde.

1. Inactieven die actief willen worden
Fysiek inactieve personen die na een (lange) periode van inactiviteit weer willen gaan sporten of bewegen of het advies hebben gekregen om weer te gaan sporten of bewegen.

2. Recreatiegerichte sporters
Sporters die sport vooral zien als een gezonde, ontspannende bezigheid. Het leveren van (steeds betere) prestaties is voor deze groep niet de primaire motivatie.

3. Prestatiegerichte sporters
Sporters die (extra) trainen om (steeds beter) te presteren. Voor deze groep is het belang van sportbeoefening (relatief) groot.

4. Maximale sporters
Maximale sporters zijn op zoek naar de uiterste grenzen van wat zij lichamelijk (en mentaal) kunnen presteren en trainen daar in de praktijk (nagenoeg) dagelijks voor. onder deze doelgroep vallen ook sporters die op nationaal of internationaal niveau tot de besten in hun sport (willen) behoren. Dat zijn niet alleen de A- en B-sporters volgens de indeling van NOC*NSF, maar ook de talenten en beroepssporters.

5. Chronisch zieken
Sport en/of bewegen kunnen bij bepaalde chronische aandoeningen een positieve bijdrage leveren aan het ziekteproces, de levensduur en de kwaliteit van leven. De kennis van de sportarts ten aanzien van het bepalen van de individuele balans tussen fysieke belasting en belastbaarheid van chronisch zieken en de daaraan gekoppelde beweegadvisering levert een belangrijke bijdrage aan de kwaliteit van zorg voor en kwaliteit van leven van deze groepen patiënten.

 
Kerntaken van de sportarts
De kracht van de sportarts ligt in het feit dat deze een analyse kan maken van de klacht, waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat de ontstaanswijze vaak multifactorieel bepaald is en - in het geval van een klacht van het bewegingsapparaat - als regel gepaard gaat met problematiek in de bewegingsketen (ketenproblematiek). Dit impliceert dat het therapeutisch handelen op meerdere niveaus gericht kan zijn. In de analyse en de behandeling van het probleem worden naast materiaal- en omgevingsfactoren ook psychische, sociale en cognitieve factoren meegenomen.

A. Diagnostiek, stellen prognose, behandeling en evaluatie van blessures van het houdings- en bewegingsapparaat die door sport of bewegen zijn ontstaan en/of zich daarbij manifesteren. Het merendeel van deze blessures betreft chronische overbelastingsblessures.
B. Diagnostiek, stellen prognose, behandeling en evaluatie van fysieke problematiek, een ander orgaansysteem dan het houdings- en bewegingsapparaat betreffende, die door sport of bewegen is ontstaan en/of zich daarbij manifesteert.
C. Diagnostiek, stellen prognose, behandeling en evaluatie van (onbegrepen) algehele problematiek die door sport of bewegen is ontstaan en/of zich daarbij manifesteert.
D. Casemanagement of consulentschap in de zorgketen voor de chronisch zieke patiënt waarbij sport en/of bewegen als onderdeel van de behandeling wordt ingezet.
E. Sportmedische onderzoeken. Verrichten van een (algemene en sportspecifieke) anamnese, lichamelijk onderzoek en (sportspecifiek/aanvullend) onderzoek van het houdings- en bewegingsapparaat, het cardiovasculaire systeem en de longen om een gericht en verantwoord beweeg- en sportadvies aan (beginnende) sporters te kunnen geven.
F. Sportmedische begeleiding. Sportmedische begeleiding heeft als uitgangspunt het bewaken c.q. optimaliseren van de gezondheid en/of het prestatievermogen van de (top)sporter in het kader van sportbeoefening. Het is een, in de tijd, continu proces van sportmedische zorg voor individuele sporters of groepen sporters.

Een standaardonderdeel van de kerntaken van de sportarts is het afnemen van een algemene en sportspecifieke anamnese en van een algemeen lichamelijk onderzoek en/of sportspecifiek onderzoek van het bewegingsapparaat.

Voor het stellen van de diagnose zal de sportarts op indicatie gebruik maken van:

  • Inspanningsdiagnostiek, onder te verdelen in:

    • inspanningstesten uitgevoerd in het laboratorium(met name (maximale) inspanningstesten op een (fiets)ergometer of loopband onder ECG-controle en op indicatie aangevuld met ademgasanalyse);
    • inspanningstesten uitgevoerd in de sportspecifieke situatie.
  • Biomechanische analyse (o.a. loopanalyse);
  • Compartimentsdrukmeting.

Zo nodig wordt aanvullende diagnostiek aangevraagd:

  • Laboratoriumonderzoek/bloedanalyse;
  • Longfunctieonderzoek;
  • Beeldvormende diagnostiek (röntgenfoto, echografie, scintigrafie, CT-scan, MRI);
  • EMG-onderzoek;
  • Spierkrachtmeting.

Lees verder over de kerntaken van de sportarts in het beroepsprofiel van de sportarts.

Terug naar boven

Werkplekken van de sportarts
Sportartsen zijn met name werkzaam:
  • In gecertificeerde Sportmedische Instellingen (SMI), waarvan er 56 verspreid over Nederland zijn (Cijfers SCAS 2017). Deze SMI zijn zowel gevestigd in (of verbonden aan) een ziekenhuis als daarbuiten. Iedereen met een sportmedische vraag kan terecht bij de sportarts in een SMI. Een aantal SMI voldoet bovenop de eisen die aan een gecertificeerde Sportmedische Instelling worden gesteld, nog aan een aantal extra eisen waarvoor zij het certificaat ‘Topsport Medisch Samenwerkingsverband (TMS)’ hebben ontvangen. Sportbonden sluiten een overeenkomst af met één of meerdere TMS-en voor het afnemen van sportmedische zorg/begeleiding. De doelgroepen waarop de TMS-en zich richten zijn A- en B-sporters, talenten en beroepssporters. TMS-en hebben aantoonbare samenwerkingsverbanden met beroepsbeoefenaren die nodig zijn voor een optimale uitvoering van het topsportmedisch- programma van de sportbond. Daarnaast kunnen TMS-en ook diensten leveren aan de vijf Centra voor Topsport en onderwijs (CTo) die NOC*NSF heeft opgericht. Deze CTO’s zorgen voor optimale randvoorwaarden voor de A- en B-sporters en talenten die deelnemen aan topsportprogramma's van bonden. Uniek aan deze centra is dat op één locatie fulltime trainen, studeren en wonen optimaal te combineren is en inzet van diverse specialisten binnen handbereik is (fysieke training, prestatiediagnostiek, voeding, mentale begeleiding, (para)medici, maatschappelijke begeleiding), volgens gestandaardiseerde kwaliteit en procedures;
  • Voor sportbonden en (professionele) sportverenigingen zoals Betaald Voetbal organisaties (BVo’s).