InloggenLid worden

Verminderde botgezondheid van profwielrenners: risico’s en behandeling

Geschreven door: Luuk Hilkens, Rob van der Werf, Mannes Naeff, Robert Kempers, Luc van Loon, Joop van den Bergh, en Jan-Willem van Dijk

4 juni 2025

SAMENVATTING
Onderzoek toont aan dat bijna driekwart van de mannelijke en bijna de helft van de vrouwelijke professionele wielrenners een lage botmineraaldichtheid (BMD) hebben, vaak met afwijkingen in de botstructuur. Belangrijke risicofactoren zijn een gebrek aan botbelastende fysieke activiteit, langdurige lage energiebeschikbaarheid en een laag lichaamsgewicht. Wielrenners met een lage BMD hebben vaker fracturen tijdens de carrière en een verhoogd risico op osteoporose en osteoporotische fracturen op latere leeftijd.
Preventie is cruciaal, omdat substantiële toenames van BMD op latere leeftijd moeilijk haalbaar zijn. Jonge wielrenners zouden zo lang mogelijk een botbelastende sport naast het wielrennen moeten beoefenen. Daarnaast zijn krachttraining en impactoefeningen belangrijk voor het behoud van botgezondheid. Verder is een adequate voedingsinname essentieel om langdurige periodes van lage energiebeschikbaarheid te voorkomen. Bijzondere aandacht dient te worden besteed aan een toereikende calciuminname en optimale vitamine D-status, waarbij suppletie wordt aanbevolen op basis van periodieke metingen van serum 25(OH) D. Hoewel medicatie de botgezondheid kan verbeteren, ontbreekt bewijs voor een effect op fractuurincidentie bij jonge sporters. Sportartsen betrokken bij de begeleiding van wielrenners dienen aandacht te hebben voor de botgezondheid. Een multidisciplinaire benadering is hierbij essentieel, met nauwe samenwerking tussen sportarts, sportdiëtist en, bij complexere situaties, een internist-endocrinoloog gespecialiseerd in botaandoeningen.

Luuk Hilkens1, 2, 3, Rob van der Werf1, 4, Mannes Naeff4, 5, Robert Kempers6, Luc van Loon2, 3, Joop van den Bergh3, 7, 8 en Jan-Willem van Dijk1.
1. Academie Sport en Bewegen, HAN University of Applied
Sciences
2. Afdeling Humane Biologie, Maastricht Universitair Medisch
Centrum+
3. Institute of Nutrition and Translational Research in
Metabolism (NUTRIM), Maastricht Universitair Medisch
Centrum+
4. Koninklijke Nederlandsche Wielren Unie
5. Ziekenhuis Gelderse Vallei, Sports Valley, Afdeling
Sportgeneeskunde
6. INEOS Grenadiers Professional Cycling Team
7. Afdeling Interne Geneeskunde, VieCuri Medisch Centrum
8. Afdeling Interne Geneeskunde, Subafdeling Reumatologie, Maastricht Universitair Medisch Centrum+


AFBEELDING 1 Samengesteld figuur obv Hoy et al. (2012), Whittier et al. (2020) and Putman et al. (2014).

A Tweede-generatie
HR-pQCT-scanner;

B Weergave van de distale tibia om het HR-pQCTscangebied
te bepalen (links), met de bijbehorende
tweedimensionale HR-pQCT-slice en de
driedimensionale reconstructie.

1. INLEIDING
Osteoporose is een aandoening die wordt gekenmerkt door een verminderde botmineraaldichtheid (BMD) en de aantasting van de botstructuur, wat resulteert in verminderde botsterkte en een verhoogd risico op fracturen1. Primaire osteoporose is een chronische aandoening die voornamelijk voorkomt bij individuen vanaf het vijftigste levensjaar, met een hogere prevalentie bij vrouwen. Een aanzienlijk verlaagde BMD kan ook worden waargenomen bij ogenschijnlijk gezonde jonge sporters, vooral bij sporten met weinig belasting op het skelet en waarbij een laag lichaamsgewicht een prestatievoordeel biedt, zoals bij wielrennen. Dit overzichtsartikel bespreekt de prevalentie, oorzaken en gevolgen van een verlaagde BMD bij elitewielrenners en geeft aanbevelingen voor preventie en behandeling van botgezondheidsproblemen in deze populatie.

2. PREVALENTIE

2.1 BMD
Een review van Olmedillas en collega’s concludeerde dat wielrennen geen positief effect heeft op de BMD en dat wielrennen op hogere niveaus zelfs een negatief effect heeft op de BMD2. Tot voor kort was er nog weinig onderzoek beschikbaar naar de botgezondheid van wielrenners op het hoogste niveau3-6, terwijl er helemaal geen onderzoek beschikbaar was bij vrouwelijke (prof)wielrenners en bij jonge (18 – 20 jaar) getalenteerde wielrenners. Recent is Nederlands onderzoek gedaan onder 73 mannelijke en vrouwelijke elitewielrenners, waarvan het merendeel actief was op WorldTour niveau. Het bleek dat, afhankelijk van de scanlocatie (hele lichaam, heup of lumbale wervels), 50 – 73 procent van de mannelijke profwielrenners een Z-score lager dan -1 had, wat duidt op een lage BMD7. De BMD was het laagst in de lumbale wervelkolom (Figuur 1). Deze cijfers lagen grotendeels in lijn met eerder onderzoek onder mannelijke profwielrenners3,4. Bij de vrouwelijke profwielrenners kwam een lage BMD minder vaak voor (30 – 45 procent) dan bij mannelijke profs, maar nog steeds aanzienlijk vaker dan verwacht op basis van de referentiepopulatie, waar dit percentage op 16 procent ligt.
(Figuur 1)7.
Vrouwelijke talenten hadden een vergelijkbare prevalentie als vrouwelijke profs, terwijl een lage BMD bij mannelijke talenten weer minder vaak voorkwam (9 – 27 procent)7. Een mogelijke verklaring voor dit verschil is dat de mannelijke talenten een hogere body mass index (BMI) hadden en naast het wielrennen meer botbelastende activiteiten deden dan de vrouwelijke talenten.
Het advies is om een DXA-scan van het gehele lichaam, de heup en de lumbale wervels toe te voegen aan de jaarlijkse gezondheidscheck, om de botgezondheid van elitewielrenners te monitoren. Het centraliseren van deze metingen zou de kennis rondom prevalentie en behandeling van de verminderde BMD bij wielrenners kunnen verbeteren.

2.2 Botkwaliteit
Nederlandse onderzoekers (Hilkens et al., manuscript geaccepteerd voor publicatie in Med Sci Sports Exerc) hebben bij een groep vrouwelijke elitewielrensters (n = 20) ook de botkwaliteit (geometrie en microarchitectuur) in kaart gebracht middels een hoge resolutie perifere CT-scanner (HR-pQCT, Afbeelding 1). Hoewel het totale botoppervlak van de distale tibia normaal was, bleek dat specifiek het corticale botoppervlak van de distale tibia laag was bij 40 procent van de deelnemers (Figuur 2). De dikte van het corticale bot van de distale tibia bleek laag bij zelfs 60 procent van de deelnemers (Figuur 2). Ook het aantal en de dikte van de trabeculae in de distale tibia waren laag bij respectievelijk 40 procent en 30 procent van de deelnemers (Figuur 2). De afwijkingen waren minder uitgesproken bij de distale radius.

AFBEELDING 2 The IOC REDs CAT2 Severity/Risk Assessment & Stratification Calculator.
Bron en calculator te downloaden via www.bjsm.bmj.com.

3. GEVOLGEN

3.1 Traumatische fracturen
Een botbreuk is de belangrijkste reden van uitval bij de Tour de France8 en zorgt voor het grootste verlies van trainingsdagen (gemiddeld 21 dagen per jaar) binnen het profwielrennen9. De helft van de profwielrenners heeft al één of meerdere botbreuken gehad (mannen: 80 procent, vrouwen: 50 procent)7. De belangrijkste risicofactor voor het ontstaan van een fractuur bij wielrenners zijn valpartijen10. Een verlaagde BMD, zeker in combinatie met een aangedane botmicroarchitectuur, vergroot waarschijnlijk het fractuurrisico11. Cross-sectioneel onderzoek onder elitewielrenners vond inderdaad een associatie tussen BMD en fractuurprevalentie7. Dit suggereert dat sommige fracturen mogelijk voorkomen kunnen worden met sterkere botten.

3.2 Osteoporose
Een potentieel lange termijn gevolg van een verslechterde botgezondheid tijdens de wielercarrière is het eerder of ernstiger optreden van osteoporose en fracturen op latere leeftijd. Maar wanneer een profwielrenner rond een leeftijd van 35 jaar zijn of haar carrière beëindigt, neemt het fietsvolume normaliter af en neemt het lichaamsgewicht toe. Ook ontstaat meer tijd voor het beoefenen van andere, eventueel botbelastende sporten. Alleen is de gunstigste periode/leeftijd voor de ontwikkeling van de piekbotmassa dan al voorbij12,13. Met het ouder worden reageren botcellen namelijk minder goed op anabole stimuli, zoals botbelastende inspanning en voeding. Een recente crosssectionele studie concludeerde dat een aanzienlijk deel van de oud-profs jonger dan 50 jaar een lagere BMD had dan verwacht voor hun leeftijd.

4. PREVENTIE EN BEHANDELING

Algemeen erkende risicofactoren voor osteoporose in de geneeskunde zijn o.a. een laag lichaamsgewicht, hoge leeftijd, vroege menopauze, roken, overmatig alcoholgebruik, te weinig blootstelling aan zonlicht, te lage calciuminname, gebrek aan lichaamsbeweging en medicatiegebruik14. Ook onderliggende aandoeningen, zoals hyperthyreoïdie, hyperparathyreoïdie, diabetes mellitus (vooral type 1), nierfalen en coeliakie, kunnen een oorzaak zijn van osteoporose. Echter, elitewielrenners zijn gezonde, jonge topsporters waarvoor veel van de algemene risicofactoren niet gelden. Daarnaast is de oorzaak van de verslechterde botgezondheid bij elitewielrenners niet toe te schrijven aan één enkele factor15. Kenmerkend voor de wielersport is juist dat meerdere oorzaken samen een negatief effect op botweefsel kunnen hebben. De belangrijkste potentiële oorzaken van een lage BMD bij wielrenners zijn het niet maximaliseren van de piekbotmassa op jonge leeftijd, het gebrek aan botbelastende fysieke activiteit, lage energiebeschikbaarheid, laag lichaamsgewicht en verstoring van de calciumhomeostase tijdens duurinspanning. Deze risicofactoren bieden ook meteen aanknopingspunten voor behandeling.

4.1 TRAINING

4.1.1 Niet vroeg specialiseren in wielrennen
Tijdens de puberteit wordt ongeveer 40 procent van de totale botmassa opgebouwd, en rond het twintigste levensjaar is circa 95 procent van de volwassen botmassa bereikt12. Een maximale piekbotmassa als jongvolwassene is cruciaal, aangezien een lage piekbotmassa sterk geassocieerd is met osteoporose en fracturen op latere leeftijd16. Voldoende botbelastende oefeningen tijdens de puberteit zijn essentieel om een zo groot mogelijke piekbotmassa te bereiken12, 13. Onder invloed van hormonale veranderingen zijn botten in deze periode sensitief voor beweeginterventies17. Zo blijkt dat vrouwen die vóór of rond menarche beginnen met een racketsport (zoals tennis of squash) een gemiddeld botmassa-verschil van ongeveer 11 procent tot 24 procent tussen hun racketen niet-racketarm ontwikkelen. Bij vrouwen die meer dan 15 jaar na menarche starten, is dit verschil slechts 2 procent tot 10 procent18. Vroeg specialiseren in wielrennen en eenzijdige belasting tijdens de puberteit en adolescentie zijn in het kader van de botgezondheid dan ook af te raden.

4.1.2 Krachttraining en impactoefeningen
Het gebrek aan mechanische belasting van het skelet is een van de belangrijkste oorzaken van een verslechtere botgezondheid van elitewielrenners. Profwielrenners brengen veel tijd door op de fiets (~20 uur p/w)19-22, een cyclische, eenzijdige, niet-gewichtsdragende activiteit. Daarnaast wordt de rest van de dag vaak in een zittende of liggende positie doorgebracht om te herstellen van de training of wedstrijd. De mechanosensitieve osteocyten krijgen hierdoor weinig signalen om botvorming te stimuleren. Studies met dieren laten zien dat juist hoog-intensieve, gewichtsdragende activiteiten met een intervalkarakter en multi-directionele bewegingspatronen zorgen voor de sterkste stimulus voor botaanmaak23,24. Sporten waarbij deze bewegingspatronen veel voorkomen, zoals voetbal, tennis en krachttraining, zijn juist wel effectief in het laten toenemen van de BMD. Elitewielrenners die in het verleden veel botbelastende activiteiten hebben gedaan, hebben dan ook een hogere BMD dan wielrenners voor wie dit niet het geval is7. Het meeste experimentele onderzoek naar het effect van training op botmassa is gedaan bij ouderen met impactoefeningen (springen) en krachttraining als belangrijkste inspanningsmodaliteiten23,25. Recent onderzoek laat zien dat krachttraining het meest effectief is wanneer deze met een hoge intensiteit wordt uitgevoerd (≥ 80 procent 1RM)26. Krachttraining op een hoge intensiteit is behalve effectief ook veilig gebleken, zelfs bij ouderen met osteoporose27. Naast een toename van de botmassa is krachttraining ook interessant voor wielrenners omdat het de potentie heeft de fietsprestatie te verbeteren28. Veel wielrenners zijn echter terughoudend om krachttraining met een hoge intensiteit uit te voeren, omdat ze bang zijn voor een toename van het lichaamsgewicht22,29. Krachttraining zou dus vooral met een laag volume (2 tot 3 oefeningen van 2 tot 3 sets per sessie) moeten worden uitgevoerd om de kans op spiergroei te minimaliseren30 en niet te interfereren met de fietstraining31.
Frequente (3 – 7 keer per week), maar korte trainingssessies (5 – 10 minuten) met een hoge impact kunnen de BMD ook verhogen32. Bijvoorbeeld, het vijfmaal wekelijks uitvoeren van multidirectionele sprongoefeningen (5 min per sessie, 18 weken) buiten de competitieve periode beschermt de heup BMD van elitewielrenners33. Zie Tabel 1 voor richtlijnen voor het inrichten van training voor het verbeteren van de botgezondheid van wielrenners.

FIGUUR 1 HR-pQCT-parameters voor botgeometrie, botsterkte, volumetrische botmineraaldichtheid en botmicroarchitectuur bij de distale tibia. Boxplots geven de mediaan en interkwartielafstand (IQR) weer, terwijl de zwarte stippen individuele datapunten representeren. Afkortingen: Ct.Ar – corticale oppervlakte, Ct.Po – corticale porositeit, Ct.Th – corticale dikte, Ct.vBMD – corticale volumetrische botmineraaldichtheid, F.Load – botsterkte, Tb.Ar – trabeculaire oppervlakte, Tb.N – aantal trabekels, Tb.Sp – afstand tussen trabekels, Tb.Th – dikte van trabekels, Tb.vBMD – trabeculaire volumetrische botmineraaldichtheid, Tt.Ar – totale oppervlakte, Tt.vBMD – totale volumetrische botmineraaldichtheid, vBMD – volumetrische botmineraaldichtheid.

TABEL 1 Kenmerken van krachttraining en high-impact training ter bevordering van de botgezondheid bij elitewielrenners.

4.1.3 Hardlopen?
Door het eenzijdige en repetitieve karakter is hardlopen geen sterk osteogene activiteit34,35. Daarnaast zijn de grondreactiekrachten bij hardlopen laag, wat resulteert in een lage effectieve anabole stimulus voor bot36. Daarnaast kan hardlopen gepaard gaan met botstressfracturen, vooral wanneer de botkwaliteit en met name de kwaliteit van het corticale bot al is verminderd37. Hardlopen zou dan ook niet geadviseerd moeten worden als (enige) activiteit om de botgezondheid te verbeteren.

4.2 VOEDING

4.2.1 Energiebeschikbaarheid
Het gemiddelde dagelijks energiegebruik tijdens een grote wielerronde zoals de Vuelta a España of Giro d’Italia bedraagt ~7600 Kcal38,39. Het energiegebruik kan echter sterk variëren, afhankelijk van de wedstrijd en training. Begeleiding door een sportdiëtist is onontbeerlijk om wielrenners te begeleiden bij hun voedingsinname. Een gezond voedingspatroon voorziet in alle macro-(koolhydraten, eiwit) en micronutriënten (o.a. calcium, zink, magnesium, fosfaat, vitamine D en K) die relevant zijn voor bot40. Bijzondere aandacht moet er zijn voor de totale energie-inname van wielrenners, om zodoende langdurige periodes van lage energiebeschikbaarheid te voorkomen. Screening op lage energiebeschikbaarheid kan middels gevalideerde vragenlijsten (bijv. LEAF-Q)41, maar ook middels een klinisch interview, waarbij gelet wordt op signalen van verstoord eetgedrag, afwijkingen in normale groei- of ontwikkelingscurve (bij jeugd), gewichtsverlies of fluctuaties in gewicht, menstruatiestoornissen, laag libido, laag testosteron, terugkerend blessureleed of ziekten, botstressblessures, afnemende of fluctuerende prestaties en stemmingswisselingen42.
Bij verdenking van lage energiebeschikbaarheid, of in combinatie met een initiële screening of jaarlijkse gezondheidscontrole, kan de International Olympic Committee REDs Clinical Assessment Tool Versie 2 (IOC REDs CAT2, Afbeelding 2) gebruikt worden. De samenwerking met een sportdiëtist, die waarschijnlijk door het jaar heen ook vaker contact heeft met de atleet, is hierbij sterk aanbevolen. Op basis van de uitkomsten van de screening is verdere opvolging mogelijk noodzakelijk, waarbij de voedingsinname wordt geëvalueerd door een sportdiëtist en indien nodig, in overleg met de coach, de fysieke belasting zal worden aangepast.

4.2.2 Calcium
De aanbevolen dagelijkse hoeveelheid calcium voor volwassenen is 1000 mg, die door Nederlandse wielrenners gemiddeld genomen wordt behaald. Maar verschillen tussen individuen zijn er altijd en screening op tekorten is dan ook nodig. Omdat serum calciumconcentraties nauw worden gereguleerd, zijn bloedtesten hiervoor niet geschikt43.
Evaluatie van de calciuminname door een sportdiëtist is daarom de beste optie. Onderzoek laat consistent een verstoring van de calciumhomeostase zien bij acute duurinspanning44. De afname van serumcalcium bij duurinspanning leidt tot een verhoogde parathyroïd hormoon (PTH) secretie. Dit hormoon reguleert nauwkeurig de calciumconcentraties in het bloed. PTH stimuleert de osteoclasten om calcium vrij te maken uit bot om zodoende de calciumhomeostase te handhaven. Chronische activatie van dit mechanisme, zoals bij langdurige duurinspanning, kan mogelijk bijdragen aan de lage BMD van elitewielrenners15,44, al moet deze hypothese nog getoetst worden door lange termijn onderzoek.
Calciuminname voorafgaand aan duurinspanning is een strategie om de verstoring van de calciumhomeostase te voorkomen. Inname van ~1000 mg calcium middels een supplement of voeding 60 – 90 minuten voor inspanning zorgt voor een afname van de PTH-response en een afname van serumconcentraties van de botafbraakmarker CTX-I45,46. Wanneer calcium 20 – 30 minuten voor inspanning wordt ingenomen, ziet men dit effect echter niet47,48. Het geven van een enkele hoge dosis calcium moet altijd gedaan worden in overleg met een sportdiëtist en in het licht van de totale dagelijkse calciuminname. Meer onderzoek is zeker nodig om de optimale dosis en timing van calciuminname te bepalen die zorgt voor een afname van botafbraak tijdens duurinspanning. Ook de lange termijn effecten van een dergelijke strategie op BMD dienen onderzocht te worden. Daarnaast is het onbekend of de calciumbehoefte hoger is wanneer wielrenners extreme duurinspanning verrichten in warme en vochtige omstandigheden. Dit kan zeker mogelijk zijn, aangezien er dan meer calcium verloren gaat met het zweten.


FIGUUR 2 BMD (Z-scores) op verschillende locaties van het skelet, in verschillende fasen van een wielercarrière. Early career = talenten (≤ 20 jaar), Advanced = profs (> 20 jaar), Post = oud-profs (minimaal 1 jaar gestopt en < 50 jaar).

4.2.3. Vitamine D
Hoewel er discussie is over het optimale niveau voor botgezondheid, bevelen de meeste richtlijnen een serum 25(OH)D-concentratie van 50 – 75 nmol/L aan49,50. Elitewielrenners in Nederland hebben gemiddeld 25(OH) D-concentraties van 70-80 nmol/L, hoewel een enkeling ook waarden onder de 50 nmol/L heeft7. Suppletie moet daarom bij voorkeur gebaseerd zijn op periodieke metingen van serum 25(OH)D, bijvoorbeeld voor (oktober) en na (maart) de wintermaanden. Als er geen verlaagde 25(OH) D status is, volstaat de ADH van 10 μg (400 IU) per dag voor volwassenen. Blootstelling van armen en benen gedurende 5 tot 30 minuten in de zomermaanden tussen 10.00 uur en 15.00 uur, twee keer per week, is vaak voldoende51. Het lichaam maakt dan voldoende vitamine D aan, dat ook in lichaamsvet wordt opgeslagen en vervolgens tijdens de wintermaanden kan worden gebruikt. Echter, bij individuen met een donkere huid, bij veelvuldig zonnebrandcrème gebruiken en bij personen die veel tijd binnen doorbrengen, wordt er waarschijnlijk onvoldoende vitamine D geproduceerd. Wanneer periodieke metingen niet mogelijk zijn om potentiële tekorten vast te stellen, kan een dagelijkse inname van 10-20 μg (400-800 IU) vitamine D3 tekorten voorkomen52. Onderzoek bij Nederlandse atleten liet bijvoorbeeld zien dat suppletie met 10 μg (400 IU) vitamine D3 per dag de serum 25(OH)D concentraties kan verhogen van ~50 naar ~80 nmol/L, met een verdere stijging tot ~110 nmol/L in de zomermaanden53.

4.3 LICHAAMSGEWICHT

Een laag lichaamsgewicht en een lage BMI zijn op zichzelf risicofactoren voor een lage BMD54, omdat het skelet dan lagere druk- en trekkrachten krijgt te verwerken. Een lage BMI is ook een potentiële indicator van een status van lage energiebeschikbaarheid42. Onderzoek onder elitewielrenners bevestigde dat een lage BMI en een laag lichaamsgewicht risicofactoren zijn voor een verminderde BMD7. Wielrenners met een BMI aan de ondergrens van de normale range (18.5 – 20.0 kg/m²), of lager, verdienen extra aandacht van de sportarts in het kader van preventie van een lage BMD en lage energiebeschikbaarheid7. Advies is om niet te veel te focussen op het lichaamsgewicht of het meten van de lichaamssamenstelling, zeker niet bij talenten55. Zorg juist voor een omgeving waarin gezondheid net zo belangrijk is als fietsprestaties.

4.4 MEDICATIE

Naast de beperkte bewijskracht en geringe ervaring met medicatiegebruik bij volwassenen jonger dan 50 jaar, is bekend dat deze medicatie bijwerkingen kan hebben. De meest voorkomende bijwerkingen van orale bisfosfonaten zijn gastro-intestinale klachten, die bij 10-30 procent van de patiënten voorkomen. Teriparatide en romosozumab worden over het algemeen goed verdragen, hoewel soms gedurende een korte periode pijn in de botten als gevolg van de toegenomen botaanmaak kan optreden. De kennis over het gebruik van medicatie ter bevordering van de botgezondheid bij jonge personen met osteoporose is in Nederland beperkt tot enkele specialistische centra.

4.5 DOORVERWIJZEN

Bij een verlaagde BMD (Z-score <-1) en/of verstoringen in hormonale functies is een multidisciplinair behandelplan de eerste stap. De kern van dit plan wordt gevormd door botbelastende oefeningen, en een voeding- en suppletieplan onder begeleiding van een sportdiëtist. Bij ernstige afwijkingen in de botgezondheid (DXA Z-score ≤ -2) en/of hormonale functie wordt geadviseerd ook een internist-endocrinoloog gespecialiseerd in botaandoeningen te consulteren. Dit laatste is zeker van belang in het kader van advies t.a.v. mogelijke medicatie en (controle) onderzoeken in de toekomst. Indien de sportarts verdere informatie wil vergaren (na een DXA) over de botgezondheid van een wielrenner, dan kan de sportarts eventueel contact opnemen met Prof. Dr. JP van den Bergh, internistendocrinoloog van het Topklinisch Expertisecentrum voor Metabole Botaandoeningen van het VieCuri Medisch Centrum voor overleg en aanvullende diagnostiek (zoals een HR-pQCT-scan).

CONCLUSIES

Een verminderde botgezondheid is zeer prevalent bij elitewielrenners. Juist in de leeftijdsperiode waarin talenten en professionals op hoog niveau actief zijn, is het cruciaal dat deze jonge topsporters hun botmassa maximaliseren en behouden. In de preventie en behandeling van een verminderde botgezondheid moet bijzondere aandacht uitgaan naar voldoende botbelastende training, een adequate energie- en calciuminname en controle op een voldoende vitamine D-status.

PRAKTISCHE AANBEVELINGEN

Screening en monitoring
Voeg een DXA-scan van het gehele lichaam, de heup en de lumbale wervels toe aan de jaarlijkse gezondheidscheck. Het centraliseren van deze metingen zou de kennis rondom prevalentie en behandeling van de verminderde BMD bij wielrenners kunnen verbeteren. Breng de risico’s op lage energiebeschikbaarheid in kaart, bijvoorbeeld met de IOC REDs CAT2. Hierbij horen ook de bepaling van vrij serum triiodothyronine (FT3) en testosteron.
Wees gedurende het jaar alert op signalen van verstoord eetgedrag, afwijkingen in normale groei- of ontwikkelings-curve, gewichtsverlies of fluctuaties in gewicht, endocriene disfuncties (vrouwen: menstruatiestoornissen, secundaire amenorroe; mannen: laag serum vrij testosteron en/of laag libido), terugkerend blessureleed of ziekten, botstressblessures, afnemende prestaties of fluctuaties in prestaties en stemmingswisselingen. Tweejaarlijkse bepaling van de vitamine D-status (richtlijn: 50 – 75 nmol/L). Dit zou bijvoorbeeld kunnen voor (oktober) en na (maart) de wintermaanden. Controleer op adequate calciuminname (1000 mg per dag). Laat dit bij voorkeur doen door een sportdiëtist.

Preventie en behandeling
• Creëer een omgeving waarin gezondheid net zo belangrijk is als fietsprestaties.
• Leg niet te veel focus op lichaamsgewicht of het meten van de lichaamssamenstelling.
• Onderwijs atleten en coaches over het belang van gezonde botten.
• Stimuleer participatie in ‘bot-stimulerende’ sporten en oefeningen (krachttraining, sprongoefeningen, gooien vangoefeningen met medicijnballen)
• Kortdurende impacttraining zoals sprongvormen kunnen dagelijks uitgevoerd worden, maar een frequentie van drie keer per week is effectief gebleken en acceptabel voor de meeste wielrenners. Korte sessies (circa 5 minuten) van 3 – 5 sets van 10 – 20 sprongen zijn al effectief.
• Botten van het bovenlichaam kunnen versterkt worden met krachttraining, (plyo) push-ups, werp- en vangoefeningen met een medicijnbal, kettlebell swings of bijvoorbeeld stoottechnieken op een bokszak.
• Lange duurlopen zijn niet effectief om de BMD te stimuleren en kunnen het risico op botstressblessures verhogen.
• Zorg in samenwerking met een sportdiëtist voor de waarborging van een adequate energie-inname die is afgestemd op de trainingsarbeid.
• Vitamine D-suppletie afgestemd op de vitamine D-status.
• Werk bij ernstige afwijkingen in de botgezondheid (BMD Z-score ≤ -2) en/of hormonale functie samen met een internist-endocrinoloog

Referenties, Engelstalige samenvatting en vaststellen van de botgezondheid, botkwantiteit vs botkwaliteit

Lees het artikel als pdf:

Verminderde botgezondheid van profwielrenners: risico’s en behandeling

 

Deel dit bericht via:

Vorig bericht

Casus hardloper – een 34-jarige man met een afwijking op zijn hartslagmeter

Volgend bericht

Interoceptie en leefstijl: de verborgen connectie

Meld je aan voor de nieuwsbrief.

* verplicht veld