Auteurs
Jesper Muldera,b & Prof. Dr. Jessica Kiefte-de Jonga
a Health Campus Den Haag, Afdeling Public Health en Eerstelijnsgeneeskunde, Leids Universitair Medisch Centrum, Den Haag
b Afdeling Bewegingswetenschappen, Universitair Medisch Centrum Groningen, Rijksuniversiteit Groningen, Groningen
Interoceptie is een term die bestaat uit twee delen: intern en perceptie. Het gaat hier dus om de perceptie van de interne staat van het lichaam1. Denk hierbij aan het waarnemen van je hartslag, hoe veel je aan het zweten bent, of hongersignalen en het gevoel van verzadiging. Deze signalen zijn belangrijk voor het behouden van homeostase in het lichaam, oftewel het behouden van fysiologische stabiliteit2. Daarnaast spelen interoceptieve signalen een rol bij de flexibiliteit in het verwerken van verstoringen van de fysiologische balans, een proces wat allostase wordt genoemd3. Wanneer er een infectie of inflammatie optreedt in het lichaam tijdens ziekte, communiceert het immuunsysteem deze staat van het lichaam richting de hersenen via interoceptieve paden4. Het lichaam reageert hierop door cardiovasculaire en maag-darm reflexen te activeren, het perifere immuunsysteem aan te spreken en ziektegedrag (reactiepatronen zoals vermoeidheid, verminderde eetlust, sociale isolatie en koorts) in gang te stellen5-7. Dit illustreert hoe interoceptieve vaardigheden de interne lichamelijke staat en de waarneming van interne signalen beïnvloeden.

FIGUUR 1 Wat is interoceptie?
HET METEN VAN INTEROCEPTIE
Voordat we interoceptie kunnen meten, is het belangrijk om domeinen van interoceptie te onderscheiden en definiëren. Als we de literatuur induiken, zien we dat auteurs verschillende termen voor dezelfde domeinen gebruiken, of dezelfde termen voor verschillende domeinen8. Om duidelijkheid te creëren in de definitie van deze domeinen hebben Murphy en collega’s1 het 2×2 factoriaal model voor interoceptie ontworpen, op basis van eerdere modellen9. Dit 2×2 model stelt twee vragen. De eerste vraag is welk domein van interoceptie wordt gemeten: accuraatheid (zoals hoe accuraat ben je in het waarnemen van je interne signalen) of aandacht (hoe veel aandacht schenk je aan je interne signalen).
De tweede vraag is hoe interoceptie is gemeten: via objectieve testen of via zelfrapportage methoden. Het beantwoorden van deze twee vragen resulteert in vier verschillende kwadranten: objectieve interoceptieve accuraatheid, objectieve interoceptieve aandacht, zelfgerapporteerde interoceptieve accuraatheid, en zelfgerapporteerde interoceptieve aandacht (Figuur 2).
Vervolgens kunnen deze vier kwadranten met elkaar worden vergeleken, wat een extra mogelijkheid geeft om van de complexe natuur van interoceptie een compleet plaatje te vormen. De meest gebruikte correlatie in de literatuur is de relatie tussen objectieve testen en zelf-gerapporteerde methoden, deze relatie wordt interoceptieve awareness genoemd (zwarte pijlen in Figuur 2). Door onderscheid te maken tussen domeinen en de manier waarop deze worden gemeten, is het 2×2 model preciezer in het bepalen van patronen in interoceptie binnen verschillende klinische populaties dan andere modellen1. Het is belangrijk om te begrijpen dat categoriseren op domeinen niet de enige manier is, interoceptie kan ook worden onderverdeeld in modaliteiten zoals hartslag, respiratie, of gastro-intestinale processen.

FIGUUR 2 2×2 Factoriele structuur voor het meten van interoceptie, versimpelde versie op basis van Murphy et al.1
HARTSLAGTESTEN
Er zijn verschillende manieren waarop de interoceptieve domeinen kunnen worden gemeten. De meest gebruikte testen zijn de heartbeat counting task, de heartbeat discrimination task, of een andere variatie op de originele test van Schandry10. Tijdens de heartbeat counting task (Figuur 3), een maat van objectieve interoceptieve accuraatheid, wordt de deelnemer gevraagd binnen een bepaalde tijd het aantal gevoelde hartslagen te noteren. Hoe dichter het aantal getelde hartslagen bij de daadwerkelijke hartslag ligt, hoe beter de interoceptieve accuraatheid. Bij de heartbeat discrimination task (Figuur 4) moet de deelnemer aangeven of een toon sneller of langzamer wordt afgespeeld ten opzichte van de daadwerkelijke hartslag.
Hier geldt: hoe meer goede antwoorden, hoe beter de interoceptieve accuraatheid. Naast deze hartslagtesten worden in de literatuur ook testen gericht op de maag (zoals: kun je accuraat waarnemen hoe vol je maag is na het drinken van water) en ademhaling (zoals: kun je de mate van weerstand op je ademhaling accuraat waarnemen) genoemd. Deze laatste testen worden een stuk minder gebruikt dan hartslagtesten. Opvallend is ook dat er in de literatuur weinig tot niets wordt gerapporteerd over testen die objectieve interoceptieve aandacht meten11. Een voorbeeld van een meting in dit domein is individuen interoceptieve vragenlijsten sturen en ze vragen deze in te vullen op basis van het moment dat de vragenlijsten worden ontvangen. Deze metingen vallen onder experience sampling methods.

FIGUUR 3. Heartbeat counting task10: hoeveel hartslagen heb je gevoeld?

FIGUUR 4 Heartbeat discrimination task10: is de toon sneller of langzamer dan je daadwerkelijke hartslag?
VRAGENLIJSTEN
Zelfgerapporteerde methoden kunnen worden gecombineerd met objectieve testen, door na het uitvoeren van een hartslagtest te vragen hoe goed de deelnemer denkt de test te hebben uitgevoerd (confidence ratings). Daarnaast zijn er veel verschillende vragenlijsten die worden gebruikt om zelfgerapporteerde interoceptie te meten12. Zo zijn er vanuit het model van Murphy twee vragenlijsten ontwikkeld die specifiek onderscheid maken tussen accuraatheid en aandacht: de Interoceptive Accuracy Scale en Interoceptive Attention Scale13, 14. Op dit moment zijn Nederlandse vertalingen van deze vragenlijsten in ontwikkeling. Buiten deze twee relatief nieuwe vragenlijsten dekken vijf andere vragenlijsten (BPQ, MAIA, BAQ, PBCS, en SAQ; Tabel 1). Om een zo volledig mogelijk beeld van interoceptie te krijgen, wordt aangeraden om objectieve testen samen met zelf-rapportage methoden te gebruiken en ook de eerdergenoemde correlaties tussen verschillende kwadranten te kwantificeren.

TABEL 1 87 procent van alle citaties van vragenlijsten voor zelfgerapporteerde interoceptie wordt gedekt door vijf vragenlijsten (BPQ, MAIA, BAQ, PBCS, en SAQ)12.
INTEROCEPTIE IN GEZONDHEIDSGEDRAG
Verschillende leefstijlfactoren variëren in hun relatie met interoceptie. In de literatuur wordt een positieve relatie gevonden tussen interoceptieve domeinen en de leefstijlfactoren cognitieve ontspanning (bijvoorbeeld mindfulness en hieraan gerelateerde activiteiten), eetgedrag, en fysieke activiteit. Aan de andere kant lijkt alcoholgebruik een negatieve relatie met interoceptie te hebben, en is er over de leefstijlfactoren slaap- en rookgedrag nog te weinig bekend (Figuur 5)11. Deze variërende bevindingen geven een mogelijke nonlineaire relatie aan, beïnvloed door adaptieve vormen van interoceptie (zoals: gebalanceerde accuraatheid en aandacht voor interne signalen zijn gunstig voor gezondheidsgedrag) en mal-adaptieve (zoals: extreme focus of misinterpretatie van interne signalen leidt tot negatief gezondheidsgedrag) vormen van interoceptie20, 21. Daarnaast zijn verschillende leefstijlfactoren waarschijnlijk bidirectioneel gerelateerd aan interoceptie. Bijvoorbeeld: alcoholgebruik kan delen van het brein aantasten die belangrijk zijn voor interoceptie en andersom kunnen verminderde interoceptieve vaardigheden leiden tot verhoogd alcoholgebruik22. De wisselende bevindingen in de literatuur en de mogelijke bidirectionele relatie met gezondheidsgedrag laat zien hoe complex de rol van interoceptie kan zijn.

FIGUUR 5 Relaties tussen leefstijlfactoren en verschillende interoceptie domeinen op basis van het model van Murphy et al. (2019)1. Elke balk is een enkele meting uit een studie, de hoogte van de balk is de methodologische kwaliteit toegekend aan de studie, en de symbolen geven aan welke modaliteit is gemeten. Dit figuur komt uit een systematische review van Mulder et al. (2025)11.
INTEROCEPTIE IN SPORT
Interoceptie speelt een belangrijke rol in het promoten van een gezonde leefstijl, bijvoorbeeld op het gebied van fysieke activiteit. Wanneer er een te groot verschil is tussen de ervaring vermoeidheid tijdens fysieke activiteit en de daadwerkelijke fysiologische staat van het lichaam, kan dit leiden tot hypoactiviteit (verminderde deelname aan fysieke activiteit met alle problemen gerelateerd aan sedentair gedrag) of hyperactiviteit (extreme fysieke activiteit tot gevaarlijke fysiologische grenzen worden bereikt)23. Tijdens interoceptieve taken wordt niet alleen breinactiviteit waargenomen in delen gerelateerd aan interoceptie, maar ook in de primaire motorische cortex24, 25. De activatie van deze regio’s in het brein suggereert een relatie tussen interoceptie en fysieke activiteit. Maar dit is in de literatuur onderbelicht: studies zijn verouderd, behandelen slechts één domein van interoceptie of onderzoeken alleen het effect van acute fysieke activiteit. Uit een longitudinaal onderzoek waarin wel werd gekeken naar het effect van langdurige blootstelling aan fysieke activiteit, blijkt dat beweging een positieve invloed kan hebben op interoceptie26. Verder lijkt het hebben van een sportieve achtergrond (zoals sportieve opleiding) invloed te hebben op interoceptieve vaardigheden27. Ten slotte wordt gesuggereerd dat fysieke, fysiologische en interoceptieve reacties op fysieke activiteit worden beïnvloed door de intensiteit van de beweging, de dynamische of statische aard, en het type beweging28. Bijvoorbeeld: bij lagere intensiteit fysieke activiteit ontstaat gewenning, waardoor sensitiviteit van interne signalen vermindert en aandacht verplaatst naar externe stimuli29, 30. Wanneer intensiteit verhoogt, ontstaat er meer fysiologische ruis waardoor het moeilijker wordt interoceptieve signalen te onderscheiden27, 31. Aangezien studies op dit moment voornamelijk kijken naar het effect van acute cardiovasculaire fysieke activiteit op interoceptie, valt nog veel winst te boeken op het gebied van de relatie tussen interoceptie en andere vormen van fysieke activiteit, verschillende sporten en langdurige blootstelling aan fysieke activiteit.
INTEROCEPTIE BIJ KLINISCHE POPULATIES
Verschillende bronnen hebben verminderde interoceptieve vaardigheden gelinkt aan mentale gezondheidsproblemen, voornamelijk bij depressieve symptomen32 en alexithymia (een subklinische aandoening van autisme spectrum stoornissen, gekarakteriseerd door problemen met emotieregulatie)33. De insula speelt een belangrijke rol in de connectie tussen interoceptie en het verwerken van emoties, neurologische activiteit in de insula is verstoord bij depressie34 en alexithymia35. Mentale gezondheidsproblemen worden daarnaast gekenmerkt door multimorbiditeit, de aanwezigheid van meerdere fysieke en psychosociale problemen36. Deze complexe groepen patiënten zijn uitdagend voor gezondheidsprofessionals: doordat zij vaker uitvallen zijn leefstijlinterventies minder succesvol37. Patiënten met multimorbiditeit maken ook intensiever gebruik van de diensten van de gezondheidszorg. Multimorbiditeit is gerelateerd aan uitdagingen op het gebied van gezondheidsgedrag, fysieke beperkingen en verschillende vormen van stress die effect hebben op zelfmanagement en gezond ouder worden36. Interoceptie is gelinkt aan zowel mentale gezondheid als gezondheidsgedrag, en kan dus worden gezien als een belangrijke component in het begrijpen van leefstijl-gerelateerde morbiditeit en gezondheidsgedrag.
MEER LEZEN
Een systematische review over de rol van interoceptie in verschillende leefstijlfactoren, geschreven door de auteurs van dit artikel, is online beschikbaar11. Dit artikel geeft een overzicht van de rol die interoceptie speelt bij verschillende leefstijlfactoren. Daarnaast zijn de artikelen van Murphy et al. (2019)1 en Quadt et al. (2018)3 interessante publicaties om een algemeen beeld te krijgen van interoceptie.
Over de auteur
Jesper Mulder is PhD-kandidaat bij de Health Campus van het LUMC in Den Haag en bij de afdeling bewegingswetenschappen van het UMCG. Hij heeft een achtergrond in sportwetenschappen bij de Rijksuniversiteit Groningen. Tijdens zijn master Sport Sciences richtte hij zich op talentherkenning en -ontwikkeling bij sporters en deed hij onderzoek naar dynamische balans bij jonge, talentvolle schaatsers. Tijdens zijn PhD onderzoekt hij de relatie van interoceptie met fysieke activiteit en hoe interoceptie werkt bij (top)sporters.
Bekijk het artikel als pdf:

