‘Maar jullie maken toch niemand écht beter?’ Met andere woorden: ‘jullie zijn geen échte dokters’. Dit krijg ik regelmatig van collega’s en vrienden te horen als ik vertel dat ik coschap loop bij de sportgeneeskunde. Zijn die zes jaar studie dan voor niets geweest?
Wat ze eigenlijk proberen te zeggen is: jullie patiënten hebben zelden een acute levensbedreigende aandoening waar jullie op dat moment iets mee moeten. Al vermoed ik dat Bas Dost daar een andere mening over heeft.
Na jaren over ziekenhuisafdelingen gelopen te hebben als ‘co’, voelt dit coschap sportgeneeskunde als een frisse wind in mijn gezicht. Vol enthousiasme kom ik thuis met verhalen: interessante complexe casuïstiek gecombineerd met kleedkamergeneeskunde, wroetend met m’n voeten in de voetbalmodder. Maar hoezeer ik ook trots aankom bij mijn studiegenoten, zo eenduidig is de reactie die ik telkens krijg.
Het is verleidelijk om te denken dat sportgeneeskunde minder ‘geneeskunde’ is omdat de patiënten meestal niet direct komen te overlijden aan hun klachten. Maar wij opereren niet met een scalpel, maar verbaal. Probeer maar eens een jonge vrouw een sportverbod op te leggen wegens een genetische aandoening aan het hart. Of een man te adviseren die na een jaar van chemotherapie, operaties en bestraling, zijn leven fysiek weer probeert op te bouwen. Zo’n gesprek vraagt inlevingsvermogen en empathie. Allemaal facetten die staan genoteerd in de partituur over het artsenvak, toch? Al bevindt zich hier vaak nog wel wat ruimte voor verbetering.
Tijdens het spreekuur zit een jonge atlete tegenover me die vanwege een blessure haar Olympische droom in rook op ziet gaan en als ik het goed heb – ook al heb ik hem (nog) niet officieel afgelegd – staat er in de Nederlandse artseneed dat we ons hard maken voor ‘het bevorderen van de gezondheid van de mens’. Voor de één is dat genezing van ziekte, voor de ander is het dat rondje kunnen hardlopen zonder pijn. Voor dit kind dat droomt van Los Angeles 2028, is het alles.
In de sportgeneeskunde dirigeren we dagelijks met deze nuance. We werken niet alleen aan ‘genezing’ in klassieke zin, maar juist aan de kwaliteit van leven. Het verkennen van wensen en mogelijkheden, maar tegelijkertijd het erkennen van lichamelijke grenzen. Voor mij sluit dit naadloos aan bij de denkwijze over ‘positieve gezondheid’ zoals we die in de moderne medische wereld proberen te hanteren. Dank daarvoor, collega Machteld Huber. En bij wie niet meteen een belletje gaat rinkelen, zoek het gerust eens op.
Misschien zijn wij niet de ‘standaard’-dokter in die witte jas, misschien redden we niet dagelijks levens in de acute setting, maar we geven ze wél terug: in beweging, in betekenis, in kwaliteit. En dat maakt ons net zo veel dokter als de rest.
Iedereen die mij dezelfde vraag stelt als de eerste regel van dit verhaal, nodig ik van harte uit om een keer het vakgebied te komen ervaren.
Lees het artikel als pdf:

