In dit eerste interview van een zesdelige serie over het beroepsprofiel sportarts vertelt Bas Bulder over onderdeel A: medisch-specialistische beweegzorg voor het houdings- en bewegingsapparaat. Hij laat zien hoe hij de belasting en belastbaarheid van een patiënt in kaart brengt, vervolgens tot een diagnose en behandelplan komt en met goede uitleg het herstel ondersteunt.
Tekst: Judith Vocking
Als zoon van twee huisartsen was de interesse van sportarts Bas Bulder voor de geneeskunde al vroeg gewekt. Tijdens zijn studie twijfelde hij nog even of hij ook huisarts wilde worden, maar hij koos toch voor de sportgeneeskunde. Zijn fascinatie voor het bewegingsapparaat en de gemotiveerde patiëntenpopulatie gaven de doorslag. Én zijn liefde voor sport.
Toen Bas eind 2010 de opleiding tot sportarts afrondde, kon hij meteen aan de slag bij SMA Rotterdam. In 2016 vond een fusie plaats met SMC Maasstad en gingen beide centra verder onder de naam Sportgeneeskunde Rotterdam. Van daaruit is hij ook één dag per week gedetacheerd bij Bergman Clinics.

Wie zien jullie bij Sportgeneeskunde Rotterdam?
‘We zien bij wijze van spreken mensen van 8 tot 80 jaar, amateursporters en topsporters, maar ook niet-sporters die klachten ervaren bij bewegen. De blessures die we behandelen beslaan het hele lichaam, van top tot teen. Maar ook mensen met onverklaarbare vermoeidheidsklachten, inspanningsgebonden benauwdheid en post-covid behoren tot onze patiënten. Die klachten kunnen we in kaart brengen met een sportmedisch onderzoek, waarbij onder andere een inspanningstest met ademgasanalyse op de fiets of loopband kan worden ingezet.
We behandelen met name chronische klachten. Acuut letsel zien we eigenlijk niet. Die mensen gaan naar de SEH of de huisarts. Soms zien we wel subacute letsels, die drie tot zes weken eerder zijn ontstaan, maar ik denk dat die maar tien procent van onze behandelingen uitmaken.’
Bekijk het Beroepsprofiel Sportarts
Hoe gaan jullie te werk?
‘Wij zijn een multidisciplinair centrum. Naast sportartsen werken er fysiotherapeuten, bewegingswetenschappers en echografisten. Een patiënt wordt altijd als eerste gezien door mij of een van mijn collega-sportartsen, na verwijzing door de huisarts of een andere medisch specialist, vaak de orthopeed. Bij het eerste consult probeer ik de belasting en belastbaarheid van de patiënt in kaart te brengen. Is de klacht acuut of geleidelijk ontstaan? Is iemand opeens veel meer gaan doen? Heeft iemand bijvoorbeeld drie maanden voor een marathon bedacht die te gaan lopen en dus een veel te korte voorbereiding gehad?
Het kan ook zijn dat de belasting hetzelfde is gebleven, maar de belastbaarheid is afgenomen, waardoor het lichaam minder makkelijk herstelt. Bijvoorbeeld door slecht slapen of stress. Ik vraag in deze context altijd: “Ik wil u niks aanpraten, maar zou daar ook een oorzaak kunnen zitten?” Soms valt er dan een kwartje. Dat iemand zegt: “Ik ben de laatste maanden mantelzorger voor mijn vader” of “Ik heb het erg druk op mijn werk”.
Daarnaast doe ik lichamelijk onderzoek. Dat is een relatief klein, maar belangrijk onderdeel van het consult. Ik kijk of er beperkingen zijn in het houdings- en bewegingsapparaat, waarbij ik het hele systeem meeneem, want vaak is er sprake van een ketenprobleem. Een grote teen die niet goed beweegt, kan bij wijze van spreken nekklachten geven. Soms brengt het lichamelijk onderzoek me op een heel ander spoor, maar meestal is het een bevestiging van wat ik aan de hand van de anamnese al vermoedde.’
Wat is de rol van de bewegingswetenschappers, fysiotherapeuten en echografisten in jullie praktijk?
‘De bewegingswetenschappers kan ik vragen een analyse te doen op de loopband. Met druksensoren kunnen zij zien wat bewegen teweegbrengt in een enkel of voet. En achter de loopband staat een camera die de hoeken van de gewrichten opmeet. Zo kun je bijvoorbeeld achterhalen dat de voeten te veel doorzakken bij iemand met chronische achillespeesklachten. Een steunzool of krachttraining van de kuitspieren kan dan verbetering geven.
De (sport)fysiotherapeuten in onze praktijk kan ik vragen mee te kijken bij een casus. Of ze houden, in het geval een patiënt al bij diverse fysio’s is geweest, kritisch tegen het licht welke oefentherapie deze persoon al heeft gedaan. Niet omdat het elders slecht is, maar als klachten lang aanhouden, is het goed het totale plaatje te bekijken. En natuurlijk begeleiden ze patiënten bij hun herstel.
Onze echografisten kunnen echo’s maken van het bewegingsapparaat en zo achterhalen of er nog andere factoren zijn waar we rekening mee moeten houden. Een echo kan ook duidelijkheid bieden. Schouderklachten kunnen bijvoorbeeld duiden op een slijmbeursontsteking, maar ook op een peesontsteking. Van buiten is dat verschil niet te zien, maar beide vragen soms om een andere behandeling.’
Wat zijn je belangrijkste gereedschappen om klachten weer vlot te trekken?
‘Door een goede anamnese en lichamelijk onderzoek probeer je een duidelijke diagnose te stellen. De behandeling kan vervolgens bestaan uit oefentherapie door onze fysio’s. Daarmee maken we spieren en pezen sterker, waardoor het gewricht wordt ondersteund en de belastbaarheid toeneemt. Vaak is dat voldoende, maar soms moet je het uitbreiden met shockwave, een brace, steunzolen, tapen of injecties.
Soms komen mensen na maanden of jaren van klachten de spreekkamer in met de wens een MRI te laten maken. Vaak blijkt dat ze dan nog niet goed zijn onderzocht of dat ze nooit goede uitleg hebben gekregen van wat er aan de hand is. Een MRI is vaak niet nodig om een diagnose te stellen en een behandelplan te maken. Een anamnese en lichamelijk onderzoek zijn meestal genoeg. Bovendien bestaat de kans dat je met een MRI afwijkingen tegenkomt die helemaal geen klachten geven. Dit wil niet zeggen dat we nooit scans maken. Mensen die we langere tijd volgen die niet verbeteren, stuur ik door voor een MRI om te kijken of ik niets over het hoofd zie. Maar eigenlijk komt daar vrijwel nooit iets uit.
Overigens is het niet altijd nodig of mogelijk een duidelijke diagnose te stellen. Door zwakke plekken op te sporen en die gericht aan te pakken, zie je vaak al dat er verbetering optreedt.’
Hoe verhoudt de sportgeneeskunde zich tot de orthopedie?
‘We hebben een nauwe samenwerking met alle orthopeden in onze regio. Zij sturen patiënten naar ons door die niet in aanmerking komen voor een operatie. Bijvoorbeeld mensen met heupklachten bij wie op de foto geen slijtage is te zien. Vaak is dat dan een spier-peesprobleem. Of mensen die slijtage hebben aan de knie, maar te weinig voor een nieuwe knie of die nog te jong zijn voor een prothese. Dan hebben wij best wat tools om de belastbaarheid te verhogen, waardoor ze hun sport of beweegpatroon weer kunnen oppakken.
Een enkele keer komen we iemand op de poli tegen die een paar maanden of zelfs een jaar ervoor een knie heeft verdraaid en die er maar doorheen blijft gaan. Dan blijkt bij lichamelijk onderzoek dat de voorste kruisband kapot is. Dat zijn mensen die ik doorstuur naar de orthopeed, zeker als ze al een programma hebben doorlopen met krachttraining.’
Wat is het verschil tussen het behandelen van topsporters en recreatieve sporters?
‘In principe is de basis hetzelfde, maar bij topsporters zoek je eerder de grens op. Soms kan er veel afhangen van een moment, bijvoorbeeld een kwalificatie, degradatie, of promotie. Om die reden zet je bij topsporters ook iets eerder beeldvormende diagnostiek in om zeker te zijn dat je geen risico’s neemt als je de grens wat oprekt.
Ook voor recreatieve sporters kan het tijdelijk niet kunnen sporten heel ingrijpend zijn. Denk aan mensen die met sporten hun hoofd leegmaken, een depressie onder controle houden of die afkickverschijnselen krijgen als ze niet kunnen sporten. Bij deze mensen probeer je mee te denken over alternatieven. Zo kun je hardlopers met achillespeesklachten adviseren te gaan fietsen, roeien of zwemmen. Je bekijkt elke keer wat iemand nodig heeft.’
Je ontkomt er dus niet aan soms slecht nieuws te brengen. Hoe doe je dat?
‘Ik kan alleen scenario’s schetsen en uitleggen waarom het beter is de sport tijdelijk neer te leggen of in intensiteit terug te schroeven. Ik doe dat altijd aan de hand van belastbaarheid en belasting van het lichaam. Dat mensen gaan beseffen dat als ze op volle kracht doorsporten het herstel langer gaat duren of dat het misschien nooit meer helemaal goed komt. Op die manier probeer ik mensen te motiveren mee te gaan in mijn advies.
Het scheelt misschien dat ik het gevoel ken en dus vanuit mijn sportershart spreek. Ook ik heb door achillespeesklachten mijn favoriete sport voetbal moeten opgeven. Ik heb het nog wel een paar keer geprobeerd, maar werd dan door mijn achillespezen teruggefloten. Daardoor heb ik een half jaar helemaal niet kunnen sporten, dus ik heb me erbij neergelegd dat voetbal voor mij niet meer handig is. Ik ben gaan hardlopen, fietsen en zwemmen en heb dit jaar een kwart triatlon gedaan.’
Tot slot, wat maakt jouw werk mooi?
‘Ik vind het mooi als mensen zich zo kunnen geven voor hun sport dat ze daar alles voor over hebben. Dat ik die mensen kan helpen zo snel mogelijk weer up and running te zijn.
Ik houd ervan empathie te tonen en een luisterend oor te zijn. Soms hebben mensen daar vooral behoefte aan. Het komt voor dat mensen al bij andere artsen of therapeuten zijn geweest die niet goed hebben kunnen verklaren wat er aan de hand is, waardoor ze zich niet begrepen voelen. Het geeft dan veel voldoening duidelijkheid te creëren, waardoor iemand tevreden naar buiten gaat, ook al heeft deze persoon nog een paar maanden te gaan voordat hij of zij weer aan de slag kan. Door goede uitleg te geven, landt mijn verhaal beter en is iemand eerder geneigd mijn advies op te volgen.’
Zie ook: Veelzijdigheid sportarts-wat doet de sportarts?

