Een wereldkampioenschap is het podium waarop carrières worden gemaakt of gebroken. Voor spelers draait het om prijzen, voor bondscoaches om nalatenschap, voor teamartsen om controle over het onvoorspelbare. Miljoenen mensen kijken naar wat er op het veld gebeurt. Maar achter dat veld, in vergaderruimtes, hotels en medische ruimtes, speelt zich een minstens zo intens proces af. Daar werken de teamartsen. Niet voor applaus, maar voor controle.
Sportarts Edwin Goedhart (62) is sinds 2013 als bondsarts verbonden aan de KNVB en maakte twee WK’s en twee EK’s mee met het Nederlands elftal. Het komende wereldkampioenschap voetbal vindt in de zomer van 2026 plaats in de Verenigde Staten, Mexico en Canada, een toernooi dat zich uitstrekt over drie landen en meerdere tijdzones. Orthopeed Stijn Geraets (43) werkt in het Anna Ziekenhuis / Anna TopSupport en is sinds 2021 teamarts van de KNHB. Hij was betrokken bij één WK, de Olympische Spelen en twee EK’s met het Nederlands mannenhockeyelftal. Het eerstvolgende WK hockey wordt in augustus 2026 georganiseerd door Nederland en België, met wedstrijden in Amstelveen en Wavre. Twee verschillende sporten, twee verschillende generaties, maar opvallend veel overeenkomsten.
Dit is geen gesprek over specifieke blessures of individuele spelers. Het is een verhaal over wat nodig is om in een omgeving van maximale prestatiedruk medische rust te bewaren. Het is een inkijk in een wereld waarin voorbereiding, waakzaamheid en verantwoordelijkheid samenkomen.
Start van een WK
Voor buitenstaanders begint een WK vaak bij de openingswedstrijd. Voor Goedhart begint het veel eerder. ‘Beroepsmatig start het op het moment dat je je kwalificeert,’ zegt hij. ‘Dan weet je zeker dat je gaat en begint de voorbereiding in volle omvang.’ Op het moment dat het toernooi in Nederland losbarst, is hij zelf al op locatie. ‘Je krijgt de hype nauwelijks mee. Je zit met elkaar in een soort ‘toernooibubbel’. Maar als je bij de laatste vier komt, voel je wel iets bijzonders. De rest is naar huis. Dan realiseer je je dat je iets moois aan het doen bent met z’n allen.’
Voor Geraets begon het puzzelen afgelopen winter al. ‘Vanaf december/januari, met de wintertrips en de trainingsstage in Argentinië en Zuid-Afrika, zijn we echt gestart. Dan gaat het niet alleen over hockeyinhoudelijk beter worden, maar ook over groepsgevoel en logistiek.’ Hij wijst op een belangrijk verschil tussen toernooien in West-Europa en elders in de wereld. ‘In Nederland en België is medisch gezien veel bekend en is het in het algemeen goed geregeld. Dat is anders dan wanneer je in bijvoorbeeld India speelt. Dan wordt het toch wat complexer. In Nederland weet je beter wat je kunt verwachten, terwijl het in het buitenland toch altijd weer een verrassing blijft.’
Voorbereid op alles
Dat de internationale federaties veel organiseren, betekent niet dat de teamartsen zelf niets meer hoeven te doen. Allebei steken ze veel tijd in hun eigen voorbereiding. ‘Er is veel geregeld,’ zegt Goedhart, ‘maar parallel moet je altijd je eigen plan B hebben. Zeker voor diagnostiek of andere medische zorg moet je snel kunnen schakelen. Vanuit het basecamp regelen we dat via lokale contacten.’ Hoe langer je meeloopt, hoe groter je netwerk. ‘Je kent mensen, je kunt makkelijker iets vragen. Dat maakt snelheid mogelijk. En snelheid is cruciaal.’
Ook Geraets benadrukt het belang van lokale lijntjes. ‘Via lokale contactpersonen kun je snel dingen regelen, een brace, krukken, aanvullende diagnostiek. Maar je wilt die contacten niet maanden van tevoren leggen. Dan is de kans groot dat er wisselingen zijn. Je wilt dat het vers in het geheugen zit.’ Opvallend genoeg zijn trainingsstages soms spannender dan de grote toernooien zelf. ‘Bij een WK is alles beter georganiseerd,’ zegt Geraets. ‘Tijdens een trainingsstage in India of Zuid-Afrika is er soms weinig geregeld. Terwijl een verkeerd terechtgekomen hockeybal net zo veel letsel kan geven op een trainingskamp als tijdens de Olympische Spelen.’
Zelfvoorzienend tot de finale
Beide artsen hebben een uitgesproken wens om zelfvoorzienend te zijn. ‘Wij nemen veel medicatie mee,’ zegt Geraets. ‘Een serieuze huisartsenapotheek. Je wilt niet afhankelijk zijn van wat je ter plekke krijgt. Je weet niet altijd precies wat je ontvangt, en er is ook het risico op vervuilde medicatie of dopingissues.’ Goedhart herkent dat volledig. ‘Of we nu naar de VS gaan of naar Qatar, we nemen in principe dezelfde spullen mee. Je pakt in op basis van het bestcase-scenario: dat je de finale haalt. Dan moet je alles bij je hebben. Het zou onhandig zijn als je misgrijpt op het moment dat het er écht om gaat.’
Supplementen zijn een apart aandachtspunt. ‘Spelers nemen vaak hun eigen supplementen van de club mee, dan gebruiken ze gewoon wat ze gewend zijn te gebruiken. Daarnaast hebben wij supplementen bij ons die door de NZVT (Nederlands Zekerheidssysteem Voedingssupplementen Topsport, red.) zijn gecontroleerd.’ Zelfvoorzienend zijn gaat verder dan logistiek. Het is een manier om mentale ruimte te creëren. ‘Onze belangrijkste taak is rust creëren,’ zegt Goedhart. ‘Als je alles bij je hebt en je scenario’s hebt doordacht, plan A, B en C, dan kom je zelf rustiger over. En dat straal je uit op de rest van de staf en het team.’
Altijd alert
Een toernooi kent geen rustige dagen, ook niet wanneer het schema op papier dat wel suggereert. ‘Je hebt nooit een rustige dag,’ zegt Goedhart. ‘Als je denkt dat je het rustig hebt, dan gaat het mis.’ Hij omschrijft zijn rol als die van een brandverzekering. ‘Je hoopt me niet nodig te hebben. Maar als het nodig is, ben je blij dat ik er ben.’ Dat betekent continu alert zijn. ‘Ik kijk nooit als fan naar een wedstrijd. Je bent altijd bezig met: wat kan hier gebeuren?’
Geraets knikt. ‘Dat ‘aan staan’ is absoluut herkenbaar. Je gaat van meeting naar training naar maaltijd naar behandelen. Er kan altijd iets tussendoor komen. Het is niet realistisch om te denken dat je tijd hebt om een boek te lezen of om iets aan wetenschap te doen.’ Die mentale belasting is misschien wel de grootste onderschatte factor van het vak. ‘Je bent misschien niet fysiek constant bezig,’ zegt Goedhart, ‘maar in je hoofd wel. Een dokter doet als het goed is niet zo veel, een dokter denkt. Hij denkt vooruit om zo min mogelijk te hoeven doen. Dat heet preventie.’
Balans tussen controle en sfeer
Het EK van 2020 (gespeeld in 2021 vanwege corona) was voor Goedhart een belangrijk leerpunt. ‘We hebben dat infectietechnisch uitstekend gedaan. We hielden alles buiten. Maar het was ook enorm eentonig. Nauwelijks ruimte voor tijd met familie of uitstapjes, veel te risicovol.’ Daar zit een spanningsveld. ‘Wat wil je? Geen infecties? Geen blessures? Of optimale sfeer? Want sfeer is cruciaal voor prestatie. Alles wat je medisch doet, heeft invloed op iets anders.’
In Qatar werd een andere keuze gemaakt. ‘We testten de spelersgroep niet meer structureel, maar wel familie en bezoekers. Dat gaf misschien iets meer infectierisico, maar zorgde er wel voor dat spelers tijd met hun familie konden doorbrengen. Dit was voor de sfeer in de groep ontzettend belangrijk.’ Het is telkens opnieuw zoeken naar balans. ‘Je moet continu afwegen: wat is medisch gezien wenselijk en wat bevordert de prestatie? Het is kiezen of delen, je kunt niet altijd allebei hebben.’ Volgens Goedhart bepaalt de context uiteindelijk hoe ver je gaat in je voorzorgsmaatregelen. ‘Als wij met het team uit eten gaan, neem ik een AED mee. Als ik met mijn gezin uit eten ga, doe ik dat niet. De context is totaal anders.’
Mentaal fris blijven
Hoe vinden de mannen, als tegenhanger van het altijd ‘aan staan’ zelf hun ontspanning op een WK? ’Om mentaal fris te blijven ga ik ’s ochtends vroeg hardlopen’, vertelt Geraets. ‘Om 6 uur het hotel uit. Even anderhalf uur mijn hoofd leegmaken. Het liefst om de dag. De spelers liggen op dat moment nog te slapen.’ Ook Goedhart gaat hardlopen ter ontspanning, maar dan op de loopband. ‘Ik blijf altijd in het hotel. Als er iets gebeurt en ik ben buiten aan het hardlopen, dan klopt dat niet. De belangen zijn te groot. Er moet altijd iemand het fort bewaken.’ Andere context, andere belangen, andere gewoontes. Het zijn kleine routines in een omgeving die verder weinig ruimte laat voor ontspanning.
Groot of klein team?
De omvang van de medische staf verschilt tussen voetbal en hockey. Dat heeft invloed op de dynamiek. ‘Minder mensen betekent niet automatisch minder goede zorg,’ zegt Goedhart. ‘Een grotere staf betekent aan de ene kant dat ik iets meer uit handen kan geven. Aan de andere kant vraagt het wel om meer leiderschap; met meer mensen is de kans op ruis groter. Daar moet ik rekening mee houden.’ Een kleinere staf is niet per se minder goed. ‘Je zit sneller met elkaar op één lijn,’ vult Geraets aan. ‘Maar je moet wel alles zelf doen. Bij ons gaan er twee fysiotherapeuten mee. Ik ben de enige arts.’ Toch benadrukken beiden dat het altijd teamwork is. ‘We zijn met de hele staf bezig om iedereen gezond te houden,’ zegt Geraets. ‘De rol van fysiotherapeuten en strength & conditioning coaches is cruciaal.’
Misvattingen en realiteit
Wat is de grootste misvatting over medische zorg op dit niveau? ‘Dat het een werkvakantie is,’ zegt Goedhart zonder aarzeling. ‘Mensen zien ons zitten op de bank naast het veld en denken dat we een wedstrijdje kijken. Ze hebben geen idee van de druk. Ik kijk nooit als fan. Altijd als professional.’ Geraets vult aan: ‘Dat alles al wel door anderen geregeld is. Je moet echt zelf je systeem opbouwen.’
Wanneer is een WK medisch geslaagd?
Wanneer is een WK medisch gezien geslaagd? Voor Geraets is het helder: ‘Zo min mogelijk infecties en blessures, dan hebben we het goed gedaan met z’n allen.’ Voor Goedhart: ‘Mijn WK is geslaagd als niemand het over de medische staf heeft gehad. Als wij ons werk goed doen, heeft niemand door dat we er zijn.’
Gouden adviezen
Aan het einde van het gesprek volgt vanzelf de vraag naar advies voor jonge sportartsen die dromen van dit podium. ‘Blijf dromen,’ zegt Goedhart. ‘Het is een unieke ervaring om een radertje te zijn in zo’n groot geheel. Maar je moet scherp blijven en nooit verslappen.’ Geraets: ‘Gebruik je netwerk volop. Voel je nooit te groot om te overleggen. Niemand kan dit alleen.’
Teamarts zijn op een WK betekent volgens hen vooral scherp blijven, grenzen bewaken en verantwoordelijkheid dragen in een context waarin alles groter is, de belangen, de druk, de impact. Het betekent accepteren dat je werk pas echt goed is wanneer niemand het opmerkt. Juist daarom is hun succes het grootst wanneer het onzichtbaar blijft.
Over de auteur
Floor Groot is als sportarts werkzaam in het UMC Utrecht. Hij is betrokken bij patiëntenzorg (consulten en inspanningsdiagnostiek), onderzoek en opleiding (plaatsvervangend opleider van de AIOS sportgeneeskunde en colleges geven aan geneeskundestudenten). Als gezonde tegenhanger voor alle zeldzame academische casuïstiek staat hij wekelijks met zijn sportmedische voeten in de voetbalmodder bij Jong FC Utrecht (wedstrijdbegeleiding) en de FC Utrecht Academie (blessurespreekuur).
Lees het artikel als pdf:

