Tekst: Judith Vocking
De variatie, dat is wat sportarts Luuk Walta zo mooi vindt aan zijn vak. ‘Het ene moment zie ik een topsporter die nog sneller wil gaan, het volgende moment een oncologische revalidant die heel veel heeft meegemaakt en qua bewegen weer op een acceptabel niveau wil komen. Ik zie echt de hele breedte van fitheid en kan iedereen helpen.’
Op het moment dat ik Luuk spreek, is hij onderweg naar huis na een werkdag bij Sportgeneeskunde Midden Nederland in Amersfoort. Het was een afwisselende dag. Naast vijf inspanningstesten en een duikkeuring, zag hij vier nieuwe patiënten met klachten van het bewegingsapparaat. Luuk: ‘Die afwisseling vind ik leuk. Dat ik niet een hele dag achter hetzelfde bureau zit, maar van de ene ruimte naar de andere ga en van het ene onderzoek naar het andere.’

Sport is altijd belangrijk geweest
Bijna was Luuk een ander pad ingeslagen. De oncologie, waar hij tijdens zijn opleiding zijn zinnen op had gezet, viel in de praktijk tegen. ‘Ik wist toen niet meer zo goed of ik überhaupt wel dokter wilde worden.’
Hij besloot er even tussenuit te gaan en andere terreinen van de zorg te verkennen, maar besloot toch terug te keren naar de geneeskunde met het doel sportarts te worden. ‘Toen ik hoorde dat dat specialisme bestond, leek me dat heel vet om te doen, omdat je dan mensen behandelt die gemotiveerd met hun klachten bezig zijn. Daarnaast is sport altijd belangrijk geweest in mijn leven. Ik heb van alles gedaan: hockey, tennis, zeilen, taekwondo en in de coronatijd ben ik verslaafd geraakt aan hardlopen en fietsen. En thuis, als ik op de bank lig, staat er altijd sport aan. Snooker, voetbal, biatlon, het maakt me niet uit, ik kijk.’

Jonge sportarts
Naast twee dagen in Amersfoort werkt Luuk twee dagen per week bij SMC Tilburg. Die twee plekken vullen elkaar goed aan, zegt hij. ‘In Amersfoort ligt de nadruk op de behandeling van duursporters, in Tilburg is de patiëntenpopulatie diverser. Ik ben een jonge sportarts, ik heb in maart 2026 mijn opleiding afgerond, dus ik vind het belangrijk de hele breedte van het vak te zien.’
Qua behandeling wordt er op beide locaties altijd maatwerk geleverd. Luuk: ‘Iedereen die bij ons komt voor een sportmedisch onderzoek is anders en heeft een andere hulpvraag. De een wil een marathon lopen, de ander vijf kilometer en weer een ander wil gaan sporten en vraagt zich af welke sport bij hem of haar past.’
Voor het eerste consult krijgt iedereen een vragenlijst. Wat is de hulpvraag? Heeft iemand ziektes, blessures of klachten bij inspanning? Gebruikt iemand medicijnen en komen er in de familie hartproblemen voor? Luuk: ‘Zo heb ik al een idee wie ik tegenover me krijg, waar ik mijn vragen op moet richten en welke diagnostiek ik moet inzetten.’ Het consult zelf begint met een anamnese en lichamelijk onderzoek. Luuk: ‘Ik meet iemands lengte, gewicht, BMI, vetpercentage en bloeddruk. Daarnaast luister ik naar hart en longen. En ik check de beweeglijkheid van de gewrichten en kijk hoe het is gesteld met stabiliteit en kracht. Daarmee breng ik het risico op blessures in kaart.’
Daarna volgt een longfunctietest in rust. Aanwijzingen voor astma en COPD komen hiermee aan het licht. En er wordt een hartfilmpje in rust gemaakt. Is daarop een afwijking te zien, dan volgt vervolgonderzoek. Zijn er geen afwijkingen, dan kan gestart worden met een inspanningstest. Op de racefiets of loopband worden opnieuw de hart- en longfunctie gemeten, terwijl snelheid of weerstand geleidelijk wordt opgebouwd. Luuk: ‘Zo zie ik welke energiesystemen iemand gebruikt bij welke intensiteit. Bij lage intensiteit gebruiken mensen vooral vet als brandstof en naarmate de inspanning toeneemt meer koolhydraten. Die omslagpunten zeggen iets over fitheid en hoe iemand zijn training moet indelen. Dat koppel ik aan het einde van een consult terug.’
Sportmedisch onderzoek op maat
Luuk legt uit dat de duur en samenstelling van het sportmedisch onderzoek afhangen van de hulpvraag. ‘Komt iemand met een gezondheidsklacht, bijvoorbeeld pijn op de borst of verminderde conditie, zonder trainingsvraagstuk, dan duurt een consult ongeveer een uur. Deze mensen zetten we nagenoeg altijd op de fiets. De protocollen daarvoor zijn net wat betrouwbaarder en dat geldt ook voor de resultaten van het hartfilmpje, omdat mensen wat minder schudden op de fiets dan wanneer ze lopen.
Komen mensen met een prestatievraag, dan zetten we hardlopers op de loopband en fietsers op de fiets. Zo’n consult duurt gemiddeld een half uur langer, omdat deze mensen vaak ook willen weten wat hun trainingszones zijn, hoe ze het beste kunnen trainen en hoe ze ten opzichte van anderen scoren. Voor triatleten trekken we zelfs twee uur uit. Zij doen namelijk zowel een loop- als een fietstest, omdat ze beide disciplines beoefenen.’
BEAT Cycling Club
Als teamarts bij BEAT Cycling Club, een grote wielerclub met bijna 2 duizend leden van alle leeftijden en niveaus, geeft Luuk algemene gezondheidsadviezen over onder andere blessurepreventie en hoe om te gaan met hitte en kou. Daarnaast neemt hij aan het begin van het seizoen medische tests af bij de renners van het eerste team. Luuk: ‘Zo bepalen we of ze fit genoeg zijn om te koersen op dat niveau.’ Gedurende het seizoen is hij beschikbaar als er bijvoorbeeld valpartijen zijn of als er iemand ziek is of andere klachten heeft.
En als lid van het performanceteam heeft hij wekelijks overleg om de gezondheid van de renners te bewaken. ‘We lopen dan iedereen na en sturen bij waar nodig. We zijn hard aan het werk om het niveau van deze jongens te verbeteren. Over een paar jaar willen we met het team aan de start van de Tour de France staan.’
Sportgeneeskunde is er niet alleen voor topsporters
De grootste misvatting over het vak sportgeneeskunde, zegt Luuk, is dat het alleen voor topsporters is. ‘Ik zie nog steeds in verwijzingen van huisartsen excuses staan waarom ze iemand naar mij doorsturen. Het maakt niet uit hoe oud of fit je bent, we zijn er voor iedereen met klachten die het bewegen beperken. Ik heb een keer iemand behandeld van 94 en die heel goed kunnen helpen.’
Hij kan zich ook nog goed een patiënt van in de 60 met Parkinson herinneren. ‘Het was een hardloper, maar dat kon hij door zijn ziekte niet meer. Conditioneel lukte het nog wel, maar hij kwam niet over een bepaald punt heen. Bij de inspanningstest zag ik heel duidelijk dat zijn hartslag pas veel later opliep, een typische afwijkingen die je ziet bij Parkinson. En ik zag dat hij veel te intensief trainde. Ik adviseerde hem eerst een paar minuten warm te lopen om zijn hartslag omhoog te krijgen en dus over het dode punt heen te komen en het trainen rustig op te bouwen. Een paar maanden later was deze meneer weer aan het hardlopen met zijn hardloopclub. Hij was hartstikke blij.’
Omringd door mensen die bewegen
Luuk zegt het op beide werkplekken enorm naar zijn zin te hebben. ‘Het is mooi om dagelijks omringd te zijn door mensen die bewegen en sporten. Mijn collega’s zijn allemaal sportminded. In Tilburg doen we elke dinsdagochtend, voordat de poli’s beginnen, met een clubje krachttraining. En in Amersfoort lopen we geregeld een rondje hard of we pakken de fiets. Ook kan ik letterlijk aangestoken worden door de mensen die ik behandel. Zo keurde ik afgelopen zomer iemand die een trailrun ging doen in Italië, precies op de plek waar ik met mijn gezin op vakantie ging. Ik heb me toen ook ingeschreven.’
Wat hij uitdagend vindt aan het vak is dat er best veel complexe casuïstiek is. ‘Soms zie je patiënten op de poli die al bij vier of vijf specialisten zijn geweest. Bijvoorbeeld een langeafstandsloper met pijnklachten in het been, waardoor hij nog maar maximaal tien kilometer kan rennen. De orthopeed maakt een foto, ziet niets wat kapot is en zegt: “Ga maar naar de fysiotherapeut.” Die zegt: “Ik kom er niet uit, ga maar naar de neuroloog.” Die zegt: “Het is niks met de zenuwen, klaar.” Aan ons dan de taak om uit te vogelen wat er aan de hand is. We proberen die puzzel te leggen door breed in te steken en altijd te kijken welke paden we nog meer kunnen bewandelen. We geven niet snel op, want zeg maar eens tegen zo iemand dat hij zich erbij neer moet leggen. Een gemiddelde cardioloog of orthopeed zal misschien denken: “Tien kilometer hardlopen, dat is toch prima.” Maar wij als sportartsen snappen dat dat niet zo werkt. Omdat we het belang van sporten inzien, kunnen we meeleven met de patiënt.’
Sterk veranderd
Het vak van sportarts is de afgelopen jaren sterk veranderd. Lag vijftien jaar geleden de focus met name op sport en topsport, sinds de erkenning van het specialisme in 2014 is daar ‘bewegen als medicijn’ bijgekomen. Om de kernactiviteiten, het werkveld en de positionering van de sportgeneeskunde binnen het totale zorglandschap te definiëren, is in 2025 het Beroepsprofiel Sportarts opgesteld. Luuk zat in de projectgroep. ‘In het beroepsprofiel staat welke rol we voor onszelf zien. Het specialisme krijgt steeds meer bekendheid; meer mensen weten ons te vinden. Dat maakt het nog belangrijker dat iedereen weet waarvoor ze bij ons terecht kunnen en wat ze van ons kunnen verwachten.’

