Promoties sportartsen

Kasper Janssen
Brace beats Balance Board. Ankle sprain   prevention; from evidence, via practice to the athlete
VUmc Amsterdam, 2016

Bracen, balanstraining of een combinatie; welke optie werkt het beste om een enkelverstuiking te voorkomen? Kasper Janssen onderzocht dit door een jaar lang 384 sporters te volgen na een enkelverstuiking. De sporters werden verdeeld in drie groepen. Eén groep kreeg een brace voor tijdens sport voor één jaar. Een tweede groep kreeg een oefentol om thuis twee maanden op te trainen. Een derde groep kreeg een combinatie van beiden voor twee maanden. Janssen: "Na een jaar bleek dat bracen goedkoper is en meer enkelverstuikingen voorkomt dan trainen op een oefentol. Met andere woorden: balanstraining werkt goed, maar een brace nog beter!"
  
In een tweede onderzoek keek Janssen naar hoe voetballers, volleyballers en hardlopers drie verschillende brace typen waardeerden. Ze droegen tijdens sport afwisselend een soepele compressiebrace, stevigere veterbrace of stijve semi-rigide brace. Janssen; "De bracevoorkeur verschilt per sport. Voetballers en hardlopers geven de voorkeur aan de compressiebrace, terwijl volleyballers de voorkeur gaven aan de veterbrace." Artsen en fysiotherapeuten kunnen sporters met deze kennis een beter braceadvies geven.

Het proefschrift is te lezen via https://yourthesis.nl/ankle-sprain-prevention-from-evidence-via-practice-to-the-athlete/

B.L. van Meer
Identification of early degenerative changes in the knee after anterior cruciate ligament rupture
Erasmus MC Rotterdam, 2015

Artrose is een veel voorkomende ziekte van het bewegingsapparaat. Knieartrose is een multifactoriële ziekte, een belangrijke risicofactor is een doorgemaakt knieletsel. Een voorste kruisband (VKB) ruptuur is een veel voorkomende sportgerelateerde blessure. In dit proefschrift werden verschillende aspecten van het proces van VKB ruptuur tot artrose bestudeerd. Hiervoor werd een prospectieve observationele follow-up studie opgezet.

Een deelstudie toonde aan dat patiënten die conservatief behandeld zijn, twee jaar na een VKB ruptuur gedeeltelijk herstel laten zien van de VKB op MRI en enige verbetering wat betreft knielaxiteit. Verbetering van VKB kenmerken op MRI was matig geassocieerd met de verbeterde knielaxiteit. De resultaten van de prospectieve observationele studie toonden dat gedurende een periode van twee jaar follow-up na een VKB ruptuur de botdichtheid in de aangedane knie significant lager is in vergelijking met de gezonde contralaterale knie. Tevens toonden de resultaten dat twee jaar na een VKB ruptuur vroege degeneratieve veranderingen in de knie, vastgesteld op MRI als progressie van kraakbeendefecten en/ of osteofyten, aanwezig zijn bij 40% van de patiënten. De volgende determinanten hadden een positieve significante relatie met vroege degeneratieve veranderingen: mannelijk geslacht, ten tijde van het VKB trauma opgelopen meniscus letsel en mediaal kraakbeendefect, aanwezigheid van effusie en botoedeem in het mediale compartiment een jaar na het trauma.

Het proefschrift kunt u downloaden via: www.e-pubs.nl/?epub=b.vanmeer

Steef Bredeweg
Running related injuries : the effect of a preconditioning program and biomechanical risk factors
Rijksuniversiteit Groningen, 2014

Hardlopen is een populaire sport die bijna overal en door iedereen gedaan kan worden. Miljoenen mensen lopen regelmatig hard. Het is een gezonde activiteit met positieve effecten op cardiovasculaire risicofactoren en het geeft ook sociaal en mentaal gunstige effecten. Maar er is ook een andere zijde van de medaille. Hardloopblessures komen frequent voor binnen de hardlooppopulatie. De primaire oorzaak van een hardloopblessure is een disbalans tussen belasting en tijd voor herstel en adaptatie van het houdings- en bewegingsapparaat. De meeste overbelastingsblessures in het hardlopen ontstaan ten gevolge van trainingsfouten; te ver, te snel en te vaak. Sinds het begin van de jaren tachtig van de twintigste eeuw tot op heden is de blessure incidentie hoog en tevens ongeveer gelijk gebleven. Vanuit een publiek gezondheidsperspectief is het belangrijk om te zoeken naar risicofactoren en interventies die zorgen voor een reductie van hardloopblessures. Het doel van dit proefschrift was tweeledig. Ten eerste richtte het zich op het effect van een voorbereidingsprogramma voor beginnende lopers om hardloopblessures te voorkomen. Het tweede doel was het onderzoeken van verschillende kinetische variabelen in de ontstaanswijze van hardloopblessures in een groep beginnende hardlopers.

Linda van den Berg
The musculoskeletal system in Pompe disease; pathology consequences and treatment options
Erasmus Universiteit Rotterdam, 2013

Gedurende de studies die in dit proefschrift beschreven staan werden patiënten met de ziekte van Pompe, een erfelijke lysosomale stapelingsziekte, onderzocht. Patiënten hebben spierzwakte waardoor velen van hen uiteindelijk rolstoelgebonden en beademingsbehoeftig raken. Op dit moment is enzymtherapie de enige behandeling die beschikbaar is voor deze patiënten. Enzymtherapie heeft geleid tot levensverlenging, verbetering van spierkracht en tot stabilisatie van de longfunctie van de patiënten, maar niet alle patiënten reageren even goed op de behandeling en niet alle spierschade en functieverlies wordt hersteld. De studies onderzoeken:

  • de spierpathologie van patiënten met de ziekte van Pompe. Alleen patiënten in een meer ver gevorderd stadium van de ziekte hebben een andere spiervezelverdeling dan gezonde volwassenen, met meer type 2x spiervezels. 
  • de wisselwerking tussen de spierfunctie en de kwaliteit van het skelet, en de effecten van enzymtherapie hierop. Patiënten blijken vaak een lage botdichtheid en een lagere vetvrije (dus spier) massa te hebben. Twee jaar behandeling met enzymtherapie verbetert dit niet.
  • Ook wordt de mogelijkheid onderzocht het fysiek functioneren van patiënten te verbeteren door middel van training. Het volgen van dit trainingsprogramma bestaande uit duur-, kracht- en rompstabiliteitstraining naast de behandeling met enzymtherapie lijkt een toegevoegde waarde te hebben.

J. Driessen
Exercise induced airway obstruction in children: Patho-physiology and diagnostics
AMC – Universiteit van Amsterdam, 2013

Inspanningsastma bij kinderen leidt tot een slechtere kwaliteit van leven. Deze vorm van astma is vaak een teken dat de longziekte niet goed onder controle is. De in Nederland vaak aanwezige droge en koude lucht waarin de inspanning moet worden geleverd, versterkt de obstructie van de luchtwegen waardoor inspanningsastma ontstaat. Dit constateert Jean Driessen in een onderzoek dat hij op een ijsbaan in Enschede uitvoerde bij kinderen met astma. De lucht boven de ijsvloer is constant en bootst de typische Nederlandse wintersituatie goed na. Kinderen met astma moesten gedurende zes minuten hardlopen op een loopband die op de ijsbaan stond. Voor en na de test werd de longfunctie gemeten. Bij inspanningsastma treedt een vernauwing van alle luchtwegen op, waarna de grote luchtwegen het vlotste herstel laten zien. De luchtwegobstructie treedt bij een groot deel van de kinderen op tijdens inspanning, wat plezier in sport en spel ernstig kan beperken. De helft van de kinderen ervaart vijftien minuten na het staken van de inspanning nog een beperking van hun inademing. Dit kan een verlengd gevoel van benauwdheid geven. Ook blijkt dat kinderen met astma die een slechte longfunctie én een hoog BMI hebben, een grotere kans hebben op inspanningsastma. Hoe deze relatie precies tot stand komt, moet vervolgonderzoek uitwijzen.

Milou Beelen
Sports nutrition to promote post-exercise recovery

Faculty of Health, Medicine and Life Sciences, 2012

De inname van de juiste voeding tijdens de herstelperiode na inspanning is belangrijk voor het aanvullen van de energievoorraden in het lichaam, om spierschade te herstellen, en spiergroei te stimuleren. Eerder onderzoek heeft aangetoond dat de inname van koolhydraten de belangrijkste voorwaarde is voor het herstel van de glycogeenvoorraad in de spieren. De toevoeging van eiwit aan een koolhydraatrijke hersteldrank kan de spierglycogeen synthese mogelijk versnellen. Bovendien stimuleert de inname van eiwit en/of vrije aminozuren de spiereiwit synthese, wat een voorwaarde  is voor het herstel van spierschade en adaptatie van spierweefsel aan de training. Het is inmiddels gemeengoed dat een goede herstelvoeding zowel koolhydraten als eiwit moet bevatten. Er is echter nog veel discussie over de optimale hoeveelheid, soort, en tijdstip van inname van deze voedingsstoffen en de mogelijke voordelen van andere nutriënten. Dit proefschrift beschrijft de rol van eiwit en koolhydraten in voedingsinterventies met als doel het herstel na intensieve inspanning te bevorderen.

R. van Linschoten
Patellofemoral Pain Syndrome and Exercise Therapy
Erasmus Universiteit Rotterdam, 2012

‘Patellofemoral pain syndrome and Exercise Therapy’ Robbart van Linschoten Het doel van het proefschrift was om de effecten van oefentherapie bij het patellofemoraal pijnsyndroom (PFPS) in relatie tot andere conservatieve strategieën te bestuderen. Het proefschrift bestaat uit zes deelstudies. Twee deelstudies betreffen observationeel, prospectief onderzoek in de huisartsenprakrijk. In het onderzoek naar PFPS werd het voorkomen, de behandelstrategie en de klinische uitkomst van het PFPS na een jaar bestudeerd. Patienten met PFPS werden vergeleken met de gegevens van patiënten die niet-specifieke knieklachten hadden. Daarbij werd vastgesteld dat huisartsen bij PFPS patiënten vaker kiezen voor een actieve behandelstrategie. Na één jaar follow-up vertoont de groep PFPS patiënten een significant lager herstel dan de controlegroep. De kern van het proefschrift betreft een gerandomiseerde, gecontroleerde studie naar de effecten van oefentherapie bij het PFPS in de huis- en sportartsen praktijk. 131 deelnemers werden in de studie geïncludeerd en verdeeld over een oefengroep en een controlegroep Na drie maanden had de interventie-groep een significant betere uitkomst met betrekking tot pijnreductie in rust en inspanning en kniefunctie. Ook na twaalf maanden liet de de interventiegroep betere resultaten zien met betrekking tot pijnreductie. De klinische effecten van deze studie werden tevens op kosten-effectiviteit geanalyseerd. De studie liet zien dat hoewel de direct medische kosten van oefenen hoger waren, de gemiddelde jaarlijkse maatschappelijke kosten significant lager waren in de interventiegroep. Het proefschrift bevat tevens twee systematische literatuurstudies. De studie naar de effecten van oefentherapie op het PFPS liet zien dat op korte en lange termijn oefentherapie effectief is op het verminderen van pijn ten opzichte van geen interventie (‘afwachtend beleid’). De literatuurstudie naar de aanvullende effecten van orthoses toegevoegd aan oefentherapie bij het PFPS bracht aan het licht dat er geen toegevoegd effect is van knie-braces. Het bewijs voor aanvullend effect van tape en zooltjes op oefentherapie is conflicterend.

M. Moen
Aetiology, imaging and treatment of medial tibial stress syndrome
Universiteit Medisch Centrum Utrecht, 2012

Hoewel zeer veelvuldig voorkomend bij sporters (hardlopers m.n.) en militairen was er tot recent weinig bekend over het mediaal tibiaal stress syndroom (MTSS), soms beter bekend als shin splints. Jarenlang werd gedacht dat MTSS veroorzaakt werd door trekkrachten van de onderbeenspieren aan het botvlies waardoor beenvliesontsteking zou ontstaan. Momenteel wordt gedacht dat beenvliesontsteking bij MTSS überhaupt geen rol speelt en dat er eerder sprake is van een overbelastingsklacht van het scheenbeen.

Dit nieuwe inzicht geeft hernieuwde mogelijkheden voor de behandeling van MTSS, die in het proefschrift van Maarten Moen, sportarts in het Universitair Medisch Centrum te Utrecht werden onderzocht. De behandelmogelijkheden varieerden van o.a. medicatie waarbij de botstofwisseling werd geprobeerd te beïnvloeden, het uitvoeren van een langzaam opbouwend loopschema tot het toepassen van een apparaat (shockwave) dat gezien kan worden als een botcelstimulator. Uit onderzoek bleek dat een behandeling waarin mede behandeld wordt met shockwave leidt tot het snelste herstel.
Naast de studies over de behandeling van MTSS gaat het proefschrift ook over risicofactoren om de blessure op te lopen. Verschillende factoren (zoals het naar binnen zakken van de voet) kunnen sneller leiden tot MTSS. Een laatste bevinding uit het proefschrift is dat, wanneer er bij sporters met MTSS een MRI wordt gemaakt, er bepaalde kenmerken zijn die kunnen voorspellen hoe lang het herstel van MTSS gaat duren. Ondanks dat er nog veel is uit te zoeken geeft dit proefschrift nieuwe inzichten in de ontstaanswijze en behandeling van MTSS.  

A. Weir
Diagnostics and treatment of adductor-related groin pain in athletes – new insights
Universiteit Utrecht, 2011

Dit proefschrift is het resultaat van een goede samenwerking tussen Medisch Centrum Haaglanden, SMA Haarlem en het UCS en geeft nieuwe inzichten in de behandeling van adductorenklachten (liesblessure) bij sporters. Adductorenklachten komen veel voor bij sporters en kunnen met name bij al langer bestaande klachten hardnekkig zijn. Voor het verschijnen van dit proefschrift was er maar één gerandomiseerde studie van hoge kwaliteit naar de behandeling van langdurige adductorenklachten.

In dit proefschrift worden de resultaten van een twee retrospectieve case series van het effect van een multi modale manuele therapie (MMT) en oefentherapie programma gepresenteerd. De positieve resultaten van allebei  waren veelbelovend en gaven aanleiding tot het opzetten van een prospectieve gecontroleerde studie.

Het belangrijkste onderzoek in het proefschrift is een gerandomiseerd klinisch onderzoek naar het effect van het MMT programma en actieve oefentherapie (OT). In dit onderzoek werden 54 atleten gerandomiseerd. Na de behandeling kon 50% van de sporters in het MMT programma en 55% van de OT groep weer op hun oude niveau sporten. Het verschil tussen de groepen was niet significant. De sporters in het MMT programma waren significant sneller hersteld  (12.8 weken), ten opzichte van de OT groep (17.3 weken).
In een vervolg onderzoek worden de resultaten van de midden termijn follow-up van de gerandomiseerde studie gepresenteerd. De gemiddelde follow-up  bedroeg 28 maanden en was 59% klachtenvrij aan het sporten. Het verschil tussen die twee groepen is niet significant en in totaal hebben zes (30%) van de atleten een recidief gekregen.

Onderzoeken over het valideren van de Hip and Groin Outcome Score (HAGOS) – een gevalideerde uitkomstmaat voor heup en liesblessures worden nu opgestart.
Ook zal er onderzoek plaatsvinden over de rol van sacro-iliacgewricht, heupgewricht en spierspanning in de liesspieren in het ontstaan van liesblessures.

R.-J. de Vos
Imaging and Treatment of Chronic Midportion Achilles Tendinopathy
Erasmus MC Rotterdam, 2010

De chronische Achillespeesblessure is een frequent voorkomend probleem dat voornamelijk sporters treft. R.J. de Vos onderzocht de waarde van echografisch onderzoek bij deze blessure en bovendien werd het effect van verschillende behandelstrategieën bepaald.

Tendinopathie wordt echografisch gekarakteriseerd door een verminderde structuur van het peesweefsel en er kan een toegenomen bloeddoorstroming van de pees (neovascularisatie) worden waargenomen met de toevoeging van Doppler techniek. Het bleek dat de mate van echografische desorganisatie van structuur en neovascularisatie betrouwbaar kan worden gemeten. Echter, de mate van echografische desorganisatie van structuur en neovascularisatie zijn niet voorspellend voor de uitkomst van de behandeling, dus het maken van een echo heeft geen toegevoegde waarde in de praktijk.
Momenteel is een gestandaardiseerd excentrisch oefenprogramma van 12 weken de eerste keuze van behandeling. Ongeveer 50-60% van de patiënten is tevreden na deze behandeling. Uit een prospectief gerandomiseerde studie kwam naar voren dat het gebruik van een nachtspalk geen toegevoegde waarde heeft bij het oefenprogramma. Het gebruik van veelbelovende Plaatjes-rijk Plasma (PRP) injecties, een toegenomen concentratie aan lichaamseigen bloedplaatjes verkregen door afgenomen bloed te centrifugeren, werd onderzocht. Na een dubbel-blind gerandomiseerd onderzoek werd echter geconcludeerd dat een PRP injectie even effectief is als een injectie met fysiologisch zout.

J. Zwerver, sportarts
Patellar Tendinopathy; Prevalence, ESWT treatment and evaluation
Universitair Medisch Centrum Groningen, 2010

De patellatendinopathie (“jumper’s knee”) is een bij topsporters veel voorkomende overbelastingsblessure van de patellapees, die de carrière van een sporter sterk negatief kan beïnvloeden. Uit dit proefschrift blijkt dat ook bij niet-topsporters de patellatendinopathie frequent voorkomt en dat mannelijke atleten twee maal zo vaak aangedaan zijn als vrouwelijke atleten. Kniebelastende sporten zoals basketbal en volleybal, ondergrond, leeftijd, lengte en gewicht zijn mogelijke risicofactoren voor deze lastig te behandelen peesblessure. Zowel conservatieve als chirurgische behandeling zijn namelijk vaak niet succesvol.

Op grond van een literatuurstudie lijkt ESWT (Extracorporele ShockWave Therapie) een veilige en veelbelovende behandeling voor sporters met een chronische patellatendinopathie. In dit proefschrift worden de resultaten van de TOPGAME-studie (acroniem voor Tendinopathy of Patella Groningen Amsterdam Maastricht ESWT) beschreven, een gerandomiseerde gecontroleerde multicenter trial naar de effectiviteit van ESWT bij nog actief sportende basketballers, handballers en volleyballers met een patellatendinopathie, met korter dan een jaar bestaande symptomen. Als specifieke evaluatiemethodes worden onder meer een nieuw ontwikkelde en gevalideerde Nederlandse VISA-P vragenlijst en een biomechanisch onderzochte kniepeesbelastende functietest (single leg decline squat) gebruikt. Uit de resultaten van de TOPGAME-studie moet geconcludeerd worden dat bij deze groep actieve sporters met korter dan een jaar klachten, het door ons toegepaste ESWT protocol geen voordelen biedt boven behandeling met placebo-ESWT. Verder onderzoek naar waarom, in welk stadium van de peesaandoening en volgens welk protocol ESWT het meest effectief is, lijkt daarom nodig.

B. te Boekhorst
MRI of Atherosclerosis; Magnetische Resonantie Imaging van Atherosclerose
Universiteit Utrecht, 2010

Atherosclerose (aderverkalking) is doodsoorzaak nummer 1 in de westerse wereld. Diagnose van verschillende stadia van atherosclerose is van belang voor adequate behandeling.

De samenstelling van de vetafzetting (plaque) blijkt het risico op scheuring van de plaque te bepalen. Een groot vetmeer, een dunne bedekkende bindweefsellaag, veel macrofagen (alles etende cellen van belang voor de afweer) in de schouderregio van de plaque en bloeding uit vaatjes in de plaque zijn karakteristieken van een hoog-risico plaque. Met MRI is bepaling van de samenstelling van de plaque mogelijk, hetgeen met de meest gebruikte klinische methode, catheterisatie van de kransslagaders, niet mogelijk is. Bovendien kunnen met behulp van MR contrastmiddelen die specifiek hechten aan moleculen, moleculaire processen die te maken hebben met destabilisatie van de plaque in beeld gebracht worden (moleculaire MRI).

In dit proefschrift worden zowel anatomische MRI van plaques in halsslagaders van humaan autopsiemateriaal als moleculaire MRI van plaques in een muizenmodel in leven beschreven. Enerzijds werden valkuilen wat betreft beeldvorming van macrofagen met USPIO’s en MRI, anderzijds de mogelijkheid om met moleculaire MRI ( gericht op NGAL en de CB2-receptor met behulp van micellen) verscheidene stadia van atherosclerose zichtbaar te maken, gedemonstreerd. Implementatie in klinische follow-up studies ten behoeve van evaluatie van de prognostische waarde van deze moleculaire MRI technieken kan pas volgen na verdere studies naar verdeling van het MR contrastmiddel gebaseerd op lipiden in het menselijk lichaam na injectie via de bloedbaan, uitwassing uit de bloedbaan en toxiciteit.

H. Kemps
Oxygen uptake kinetics in chronic heart failure; clinical and physiological aspects
Technische Universiteit Eindhoven, 2009

Chronisch hartfalen (CHF) wordt gekenmerkt door een verminderd inspanningsvermogen. Om deze reden speelt inspanningsdiagnostiek een steeds belangrijkere rol bij het vaststellen van de ernst en prognose van dit ziektebeeld. Alhoewel het maximale zuurstofopnamevermogen (peak VO2) nog steeds de meest gebruikte inspanningsparameter is, geven submaximale inspanningsparameters een beter beeld van het dagelijkse inspanningsvermogen van deze patiënten. Dit proefschrift beschrijft onderzoek naar de klinische bruikbaarheid en de fysiologische achtergrond van zuurstofopname (VO2) kinetiek (i.e. de snelheid van stijgen en dalen van VO2 tijdens en na submaximale inspanning) bij CHF patiënten. De resultaten van de studies uit het eerste deel toonden aan dat met name VO2 herstel kinetiek betrouwbaar kan worden bepaald bij CHF patiënten en dat deze parameter bruikbaar is voor het bepalen en voorspellen van effecten van fysieke training. In het tweede gedeelte van het proefschrift werd met behulp van een aantal geavanceerde dynamische meettechnieken (radial artery pulse contour analysis voor bepaling van cardiac output, near Infrared spectroscopie voor skeletspieroxygenatie en 32P MR spectroscopie voor skeletspiermetabolisme) vastgesteld dat VO2 kinetiek bij matig beperkte CHF patiënten hoofdzakelijk wordt beperkt door een verminderde lokale O2 aanvoer. Dit suggereert dat toekomstige behandelingen met name gericht dienen te zijn op verbetering van skeletspierdoorbloeding.

S. Praet
Exercise therapy in Type 2 diabetes
Universiteit Maastricht, 2007

De prevalentie van diabetes mellitus type 2 neemt de komende jaren sterk toe. Alhoewel het positieve effect van lichaamsbeweging bij diabetes mellitus inmiddels is vastgesteld, wordt het in de praktijk nog nauwelijks toegepast als behandeling. In dit proefschrift wordt de haalbaarheid en effectiviteit onderzocht van zowel korte-, middellange-, als langetermijn beweeginterventies in verschillende subpopulaties diabetespatienten. De acute effecten op de glucoseregulatie werd mede bepaald door continue glucose monitoring (CGMS). CGMS blijkt ook van aanvullende waarde om de glucose ontregeling beter in beeld te brengen .

Het beweeginterventieprogramma richtte zich in eerste instantie op tweedelijns diabetespatiënten die reeds complicaties hadden ontwikkeld. Uiteindelijk bleek een programma bestaande uit krachttraining en hoog intensieve intervaltraining een daling van bloeddruk en HbA1c te geven, terwijl de fitheid en spierkracht met gemiddeld 15% toenam.
In vervolgonderzoek werd bij een eerstelijns diabetespopulatie de effectiviteit van een sportief wandelprogramma vergeleken met medische fitness. Beide programma’s bleken na één een jaar gemiddeld even effectief qua bloeddruk en bloedglucoseregulatie. Ondanks een deskundige begeleiding viel 60% na een jaar uit en dit bleek voor de helft terug te voeren op overbelastingsklachten van het bewegingsapparaat.

S. van Berkel, sportarts
Knees in Need. Neuromuscular control of the ACL deficient knee
Vrije Universiteit Amsterdam, 2006

In dit proefschrift worden enkele studies beschreven waarin de coördinatiepatronen en de schuifkrachten in de knie worden bestudeerd na een voorste kruisband (VKB) ruptuur.

In twee verschillende studies werd aangetoond dat patiënten in sommige situaties een lager kniemoment leverden en in condities met kleinere kniehoeken meer co-contractie vertoonden (gelijktijdig aanspannen van knie-extensoren en flexoren), echter niet wanneer er een geïsoleerde schuifkracht op de knie werd gelegd.
Met behulp van MRI werden de peesrichtingen van de pezen rond de knie bepaald. Deze studie liet zien dat het onwaarschijnlijk is dat co-contractie direct leidt tot een afname van de voorwaartse afschuifkracht in kniehoeken tussen 0° en 30°. De peesrichtingen werden gebruikt in een EMG-gestuurd model. Hiermee werden de krachten in de knie berekend tijdens strekkingen van het hele been in verschillende houdingen. Geconcludeerd werd dat VKBpatiënten niet selectief een lagere schuif- of compressiekracht produceerden, maar een lagere totale kracht. Opvallend was verder de grote inter-individuele variatie in peeshoeken. Dit suggereert dat de hoeveelheid schuifkracht die wordt geproduceerd en de potentie om schuifkrachten tegen te gaan erg persoonsafhankelijk is.

R. Oudega
Diagnosing deep venous thrombosis in primary care
Universiteit Utrecht, 2005

Diep Veneuze Trombose (DVT) is lastig te diagnosticeren voor de huisarts vanwege de vaak aspecifieke en soms ook beperkte klachten. Het missen van de diagnose kan ernstige gevolgen hebben door het optreden van een (fatale) longembolie. Iedereen verwijzen voor een echo is niet effectief omdat 80% van de patiënten geen DVT blijkt te hebben.

Afzonderlijke symptomen geven helaas geen uitsluitsel over de diagnose. Door gewogen samenvoegen van de symptomen in een Klinische Beslis Regel (KBR) kan met deze regel de kans op DVT bepaald worden.
De onderzoeker toont in dit proefschrift aan dat de KBR van Wells, die wereldwijd in ziekenhuizen gebruikt wordt, niet geschikt is voor gebruik door de huisarts.
Daarom heeft hij met gegevens van huisartspatiënten een nieuwe beslisregel ontwikkeld die wel geschikt is voor gebruik in de 1elijn.
De huisarts kan door toepassen van een D-dimeer test samen met de huisarts-beslisregel bij een groot deel van de patiënten de diagnose DVT uitsluiten. Een lage score van de beslisregel en een normale D-dimeer testuitslag sluit de diagnose uit met slechts 0,7% gemiste DVT. Dat is in dezelfde veiligheidsorde als bij een echo-onderzoek. Slechts een deel van de patiënten hoeft dan doorverwezen te worden voor verdere beeldvormend onderzoek.

H. Tol
Etiology, diagnosis and arthroscopic treatment of the anterior ankle impingement syndrome
Universiteit van Amsterdam, 2003

Het anterieur enkel impingement syndroom (footballer’s ankle) is een oorzaak van chronische enkelklachten bij (top)sporters. In dit proefschrift werd de etiologie, diagnosemethode en arthroscopische behandeling van deze klacht onderzocht.

Een kadaver- en veldstudie onderschreven niet de vroegere hypothese dat repeterende tractie aan het gewrichtskapsel een oorzaak zou zijn. Wel was er een correlatie met de schietbeweging en plaats van de voetbal op de voet, waarmee de hypothese wordt ondersteund dat de osteofytvorming het gevolg is van repeterende (micro)traumata.
In het tweede deel van het proefschrift wordt onderzoek gedaan naar röntgenopnamen bij zowel kadavers als sporters. De conclusie van dit onderzoek was dat de combinatie van laterale röntgenopnamen en een AnteroMediale Impingement röntgenopname het betrouwbaarste is.
Tenslotte worden twee prospectieve klinische trials beschreven van de behandeling van het syndroom door middel van een arthroscopische behandeling en het effect na twee en na 5 - 8 jaar. Patiënten zonder gewrichtsspleetversmalling en minder dan twee jaar pijn voorafgaand aan de behandeling hadden de beste prognose. Bij patiënten met een gewrichtsspleetsversmalling werd echter geen toename van de gewrichtsspleetsversmalling gezien. In tweederde van de gevallen trad opnieuw osteofytvorming op, echter de tevredenheid van de patiënten bleef hetzelfde.

F. Hartgens
Androgenic-anabolic steroid use in strength athlethes; effects on body compensition and cardiovasculair system
Universiteit Maastricht, 2001

In dit proefschrift werden de effecten van het gebruik van androgene-anabole steroïden (AAS) op lichaamssamenstelling en het hart- en vaatstelsel onderzocht bij krachtsporters . Hiertoe werden twee studies verricht. In studie 1 werden 16 krachtsporters onderzocht in een dubbelblinde placebogecontroleerde studie die gedurende 8 weken 200 mg nandrolon decanoaat of placebo intramusculair kregen toegediend. In studie 2 werden 35 krachtsporters gevolgd die zelf een “cocktail” van verschillende AAS in zeer hoge (supratherapeutische) doseringen hadden samengesteld, zowel gedurende kortdurend (8 weken) als ook na langduriger (12-16 weken) gebruik van deze middelen. Zij werden vergeleken met krachtsporters die zonder ondersteuning van dopinggeduide middelen trainden.

De resultaten toonden dat het gebruik van hoge doseringen AAS gedurende 8 weken tot meer toename van het lichaamsgewicht en de vetvrije massa leidde dan lage doseringen, terwijl ook de grootte van de spiervezels met circa 12% toenam. Tevens bleek dat langduriger (12-16 weken) gebruik van AAS niet tot grotere effecten op de lichaamssamenstelling leidde dan kortdurend (8 weken) gebruik. Nandrolon decanoaat als monotherapie had geen effect op de spiervezelgrootte.
AAS hadden geen effect op echocardiografisch bepaalde hartgrootte en –functie, onafhankelijk van de doseringen en van het soort middelen die toegediend werden. Wel leidde toediening van hogere doseringen AAS tot ernstige verstoring van de vetstatus (o.a. cholesterol) in het bloed, hetgeen een verhoogd atherogeen risico inhoudt. Bij de personen die langduriger AAS gebruikten waren deze bijwerkingen ernstiger en na stoppen van AAS gebruik duurde het herstel van de ontregelde vetstatus langer dan bij kortdurende toediening.

A.R. Hoogeveen
The lactate and ventilatory response to exercise in endurance athletes
Universiteit Maastricht, 2001

Lactaat kan in potentie veel bijdragen aan het geven van trainingsadviezen voor topsporters. Tot nu toe ontbrak het echter aan duidelijke definities en interpretaties. In dit proefschrift wordt een overzicht gegeven van de relatie tussen lactaat en de ventilatoire respons, waarbij de theorie wordt getoetst aan de praktijk.

Bij competitie- en elite wielrenners werd het lactaat bepaald, de ventilatoire respons gemeten en werd de VO2-kinetiek in kaart gebracht. Hierbij werd geconcludeerd dat een enkele lactaatmeting onvoldoende is en de ventilatoire respons een beter beeld geeft van het prestatievermogen.

Daarnaast was de snelle zuurstofopname bij het starten van een blokbelasting tekenend voor een goede duurconditie. Bij sporters in wedstrijdvorm kan er zelfs sprake zijn van een zogenaamde O2-overshoot. Verder wordt er een relatie gevonden tussen het grote aantal trainingsjaren en een toegenomen efficiëntie van de duurinspanning, met minder zuurstofopname en kooldioxideafgifte als gevolg.

G. Schep
Functional vascular problems in the iliac arteries in endurance athletes. A new concept to explain flow limitations: diagnosis and treatment.
Universiteit Utrecht, 2001

In dit proefschrift wordt het fenomeen van vaatafklemming bij sporters onderzocht naar aanleiding van een wielrenner met onverklaarde claudicatio klachten. Het proefschrift bespreekt de diagnose, pathologie en behandeling.

Naar aanleiding van een case-serie werd onderzocht wat de meest ideale combinatie van diagnostische tests is. Hierbij werd ook gebruik gemaakt van een vergelijking met een controlegroep sporters zonder klachten. Met name gespecialiseerd Echo-doppler onderzoek en de enkel – arm bloeddruk na een inspanningstest was het meest sensitief. MRA toonde een afknikking van de gemeenschappelijke bekkenslagader beter aan dan Echo-doppler, terwijl Echo-doppler bij de beentak het meest efficiënt was.
De pathologie bleek te bestaan uit een afknikking van de bekkenslagader door een fixatie via een zijtakje aan de heupbuikspier, door verbindweefseling ter plaatse of, zelden, door een te lange slagader.
Naast de mogelijkheid van vaatreconstructie, werd ook gekeken naar een alternatieve behandeling door het opheffen van de fixatie door het losmaken van de gemeenschappelijke bekkenslagader en de beentak. Bij 20 van de 23 patiënten werd post-operatief zowel een subjectieve als objectieve verbetering gevonden.
De conclusie van het proefschrift is dat functionele vaatafklemming vaak (te) laat wordt herkend, maar mits herkend goed behandelbaar is.

B.M. Pluim
The athlete’s heart; a physiological or a pathological phenomenon?
Rijksuniversiteit Leiden, 1998

Naar aanleiding van de onrust over het sporthart werd in dit proefschrift de verschillen tussen het pathologisch vergrote hart en het vergrote hart van een sporter, alsmede de verschillen tussen kracht- en duursporters onderzocht. Hierbij werd gebruik gemaakt van magnetische resonantie imaging (MRI) en spectroscopie (MRS), 2-dimensionale echocardiografische oppervlakte- lengte methoden en één dimensionale M-mode echocardiografie.

Bij het opmeten van het hart bleek dat van de echografische methodes, de methode volgens de American Society of Echocardiography het nauwkeurigste was. MRI en MRS lieten zien dat er sprake was van linker ventrikelhypertrofie, echter zonder pathologische veranderingen in vorm, functie of hoog-energetisch fosfaat metabolisme. Er werd geen relatie gevonden tussen de mate van hypertrofie en hartritme variabiliteit. Duursporters hebben doorgaans een groter hart, terwijl krachtsporters een dikker hart hebben. Het verschil is echter niet zo groot dat een atleet op basis hiervan als duur- of krachtsporter geclassificeerd kan worden.
De conclusie van het proefschrift is dat het sporthart vooral een fysiologisch fenomeen en geen duidelijk pathologisch fenomeen is. Men zal echter wel alert moeten zijn op uitzonderlijke gevallen van linker ventrikelhypertrofie en ECG-afwijkingen.

H. Inklaar
The epidemiology of soccer injuries in a new perspective
Universiteit Utrecht, 1995

Voetbal is in Nederland de meest populaire tak van sport. Dit heeft als gevolg dat blessurepreventie bij deze sport sterk in de belangstelling staat. In dit proefschrift werd onderzocht wat begin jaren negentig in de literatuur bekend was over de incidentie, etiologie en preventie van blessures. Vervolgens werd onderzocht welke factoren bepalend zijn voor het krijgen van een blessure.

Het onderzoek werd verricht bij twee amateurvoetbalverenigingen. Aangetoond werd dat de kans op een blessure het sterkst afhankelijk was van het spelniveau van het team waarin de voetballer speelt. Ook de ernst en de vorm van de blessure waren aan het spelniveau gerelateerd.
In vervolg hierop werd onderzocht welke blessures bij de sportmedische afdeling van de KNVB werden gepresenteerd. Uit dit onderzoek bleek dat knie- en enkeldistorsies en tendopathieën van de bovenbeenmusculatuur het meest problematisch zijn. Hoe spelers uiteindelijk met blessures omgingen was afhankelijk van het belang en het karakter van de wedstrijd.
De conclusie van het proefschrift was dat vooral bewustwording van spelers en trainers ten aanzien van sportief gedrag en spelregelkennis prioriteit heeft als primaire preventie van blessures.

J.A. Nijboer
Photoelectric plethysmography and the behavior of the peripheral circulation during anaesthesia
Rijksuniversiteit Groningen, 1993

Fotoelektrische plethysmografie (f.e.p.) is een methode om bloedpulsaties in het vaatbed van de huid te registreren. De methode houdt in dat licht wordt uitgezonden naar een weefsel en dat het gereflecteerde en/of het doorvallende licht wordt opgevangen door een detectorcel, wat respectievelijk de reflectie en transmissie methode oplevert.

De hoeveelheid gedetecteerd licht, die wordt omgezet in een voltage, hangt af van de optische eigenschappen van het weefsel en varieert met de wisselende hoeveelheid bloed in het weefsel, dat op zich veel licht absorbeert. Deze variaties zijn slechts klein t.o.v. de totale hoeveelheid opgevangen licht. Ze kunnen echter apart worden versterkt en geregistreerd, zodat ze het plethysmogram opleveren. Hierin zijn hartsynchrone pulsaties te onderscheiden die van groot klinisch belang zijn voor de bewaking van de circulatie omdat een afname van hun tophoogte (amplitude) een vroegtijdige waarschuwing voor een dreigende verstoring van de algemene circulatie van de patiënt kan betekenen.
Er wordt in het proefschrift o.a. ingegaan op de voor- en nadelen van deze bewakingsmethode (hoofdstuk 1), fundamentele aspecten van f.e.p. (hoofdstuk 2), waarom er bij patiënten soms een omgekeerd reflectieplethysmogram wordt gevonden (hoofdstuk 3), piek-detector voor het meten van hartsynchrone pulsaties apart en continu (hoofdstuk 4), meetapparatuur (hoofdstuk 5), relatie tussen f.e.p. en volume pulsaties gedurende anesthesie (hoofstuk 6), klinische toepassing van f.e.p. als bewakingsmethode tijdens anesthesie hoofdstuk 7 en 8).

Frank Backx
Sports injuries in youth; etiology and prevention
Universiteit Utrecht, 1991

Dit proefschrift presenteert en bespreekt observationeel en experimenteel onderzoek met betrekking tot ontstaan en preventie van sportblessures bij jeugdigen.

Het beschrijvende, epidemiologische onderzoek bestaat uit een transversaal onderzoek bij 7648 leerlingen van 8 tot 17 jaar en een longitudinaal onderzoek bij een representatieve groep uit deze populatie. Retrospectief werd over een periode van 6 weken een incidentie van 10,6 per 100 leerlingen gemeten, waarvan 31% leidde tot consultatie van een arts, 36% resulteerde in verzuim van lessen lichamelijke opvoeding en 6% verzuim van minstens een hele schooldag veroorzaakte. Middels longitudinaal onderzoek bij een representatieve subgroep blijkt dat zaalsporten, contactsporten en sporten met veelvuldig springen alsmede jeugdigen die zeer frequent sporten een verhoogde blessurekans geven.
Een experimenteel onderzoek bij 471 leerlingen van 12 tot 18 jaar, waarbij gedurende 4 maanden praktische en theoretische vaardigheden werden aangeleerd tijdens lessen biologie en lichamelijke opvoeding, gaf een verbetering van kennis omtrent blessurepreventie. Tevens bleek deze verbetering in kennis een - weliswaar geringe - verbetering van attitude en blessure-incidentie te bewerkstelligen.
Naar aanleiding van deze onderzoeken wordt gepleit voor een meersporenbeleid via scholen, media en sportverenigingen. Daarnaast wordt aanbevolen meer aandacht te hebben voor technische en organisatorische maatregelen.
De conclusie van het proefschrift is dat verplicht gebruik van beschermende maatregelen en spelregelwijzigingen vermoedelijk meer effect hebben dan voorlichting en opvoeding aangaande blessurepreventie.

M.B. van Doorn
Dynamic exercise in human pregnancy
Erasmus Universiteit Rotterdam, 1991

Tot begin jaren negentig werden zwangere vrouwen geadviseerd terughoudend te zijn met sportbeoefening. Het effect van inspanning op de zwangerschap was tot dusver alleen op proefdieren onderzocht. In dit proefschrift wordt een onderzoek beschreven naar de fysiologische aanpassing van gezonde vrouwen met een ongecompliceerd verlopende zwangerschap op maximale inspanningstesten op de loopband en op de fiets tijdens de 16e, de 25e en de 35e week van de zwangerschap en 7 weken na de bevalling.

De resultaten lieten zien dat zwangerschap geen duidelijk effect heeft op het maximale vermogen. De maximale zuurstofopname en de maximale hartfrequentie veranderen niet of nauwelijks en de tijdens de zwangerschap bestaande hyperventilatie blijft tijdens maximale inspanning bestaan. Het moederlijke inspannings-ECG werd niet beïnvloed door de zwangerschap. De bloeddrukwaarden in rust waren bij 16 en 25 weken zwangerschap iets lager dan in het derde trimester en na de bevalling. De bloeddrukrespons op inspanning werd niet door de zwangerschap veranderd. Maximale inspanning verhoogde de foetale hartfrequentie 4 slagen per minuut, waarschijnlijk door de verhoogde lichaamstemperatuur, het patroon bleef echter onveranderd. Na maximale inspanning was de contractiliteit van de uterus licht verhoogd zonder dat er echte weeën ontstonden.
De conclusie van het proefschrift was dat inspanning tijdens de zwangerschap niet schadelijk is voor de gezonde moeder en foetus.

G.C. van Enst
De ontwikkeling van een selectiemethode in het periodiek preventief sportmedisch onderzoek
Universiteit van Amsterdam, 1990

In de zeventiger jaren was er sprake van een toenemend aantal verplichte sportkeuringen, waarbij de vraag ontstond of het noodzakelijk was om een keuring altijd door een arts te laten verrichten. G.C. van Enst onderzocht of het mogelijk was om door middel van een selectiemethode (het periodiek preventief sportmedisch onderzoek, PSMO) de gekeurde sporters in twee groepen te verdelen, één die wel en één die niet door een arts moest worden gezien. De studie bestond uit het onderzoeken van 96 sporters met behulp van vragenlijsten, een biometrisch onderzoek door een fysiotherapeut en een standaard onderzoek door een sportarts. Omdat bij vrijwel elke sporter één of meerdere sportrelevante afwijkingen werden gevonden, werden de sporters vervolgens in groepen ingedeeld op basis van een meer of mindere noodzaak van een keuring. Vervolgens werd gezocht naar een combinatie van factoren op basis waarvan een betrouwbare selectie kon worden gemaakt.

De conclusie van het proefschrift was dat over de gebruikte selectiemethode geen valide uitspraak kon worden gedaan. Dit werd veroorzaakt door het kleine aantal deelnemers, de gebruikte methode waarmee de afwijkingen werden vastgesteld en het ontbreken van een keuringsconsensus. Wel werd vastgesteld dat de gebruikte selectiemethode een goed hulpmiddel kan zijn bij het geven van een verantwoord sportadvies.

G.M.E. Janssen
Marathon running; Functional changes in male and female volunteers during training and contests
Universiteit Maastricht, 1988

G.M.E. Janssen heeft gedurende een trainingsperiode van 20 maanden, waarin achtereenvolgens in wedstrijdverband afstanden van 15, 25 en 42 km (marathon) werden gelopen, 114 ongetrainde proefpersonen onder gestandaardiseerde omstandigheden getraind en getest.

De testperiodes waren zodanig rond de wedstrijden gepland dat eenmaal voor en tweemaal na de betreffende wedstrijdafstand inspanningsfysiologisch is getest. Het herstel kon worden vastgesteld door de testresultaten na de wedstrijd te vergelijken met de testresultaten voor de wedstrijd.
Het theoretische kader dat is gebruikt is het model belasting-belastbaarheid. Middels katabole chemische processen wordt de benodigde mechanische energie geleverd. Deze katabole toestand veroorzaakt in eerste instantie een verstoring van de homeostase, die in tweede instantie middels anabole processen aanleiding zal geven tot herstel en structurele en functionele adaptatie (het trainingseffect) in het menselijk lichaam.
Om een verstoorde balans tussen fysieke belasting en belastbaarheid te herkennen is gekeken naar de ‘klassieke’ inspanningsfysiologische variabelen alsmede naar een groot aantal biochemische, morfologische en hormonale variabelen uit bloedonderzoek en spierbiopsieën. Uit de grote hoeveelheid gegevens blijkt o.a. dat er een relatie is tussen de daling van CP-concentratie in de spier direct na een marathon en de testprestatie 3 dagen hierna. Belangrijk is de conclusie dat de bereikte trainingsadaptatie individueel beoordeeld moet worden om overbelasting te vermijden.

J.C. van Gooswilligen
Onderzoek naar de invloed van de training op de fysieke conditie van een groep militairen
Rijksuniversiteit Utrecht, 1965

In de afgelopen jaren is de militaire lichamelijke training meer in de algemene belangstelling gekomen, doordat er bij de training voorvallen met dodelijke afloop te betreuren zijn.

De behoefte werd gevoeld meer wetenschappelijk geïnformeerd te worden over de training van de Nederlandse soldaat. Dit onderzoek werd dan ook verricht met het doel door prestatiemetingen een bijdrage te leveren tot een meer wetenschappelijke beoordeling van de militaire trainingsmethoden. Daartoe werden de resultaten bestudeerd bereikt bij de opleiding op de Koninklijke Militaire School (K.M.S.) te Weert.
Met behulp van de Schneider-test en fietsergometerproeven bleek het mogelijk een indruk te krijgen van de verandering van de fysieke conditie van een groep aspirant beroepsonderofficieren in de eerste periode van hun opleiding. Uit het onderzoek bleek, dat de gemiddelde fysieke conditie van de groep aspiranten na ongeveer 2 maanden een maximum bereikt. Na de 2de maand neemt de gemiddelde fysieke conditie onder invloed van de militaire training niet verder toe. De vraag of militaire training verantwoord is kan met de huidige gegevens niet met zekerheid worden gegeven. Toch lijkt het gerechtvaardigd te zeggen, dat tegen de huidige militaire training geen bezwaar bestaat, mits men in de toekomst aan verschillende aspecten aandacht gaat besteden. Met name wijzigen van het tijdstip van de dienstplichtkeuring en uitbreiding met een sportmedische keuring en in het vervolg van de militaire training sportmedische begeleiding te bieden.

W.L. Mosterd
Stuwkrachtmeting en slaganalyse bij getrainde zwemmers.
Rijksuniversiteit Utrecht, 1961

Dit onderzoek werd verricht met de bedoeling door directe prestatiemeting een bijdrage te leveren tot een meer wetenschappelijke fundering van de zwemtraining in het algemeen en die voor de topzwemmers in het bijzonder. Door het toepassen van spiertraining en intervaltraining zou de stuwkracht bij het zwemmen aanzienlijk opgevoerd kunnen worden. Voordat de wenselijkheid van het invoeren van deze trainingsvormen in Nederland overwogen kan worden, is het naar onze mening noodzakelijk eerst een goede methode voor het meten van de stuwkracht te ontwikkelen, om vervolgens door eigen onderzoek uit te maken welke invloed de in Nederland gevolgde zwemtraining op de door de zwemmer geleverde stuwkracht uitoefent.

Uit de resultaten is gebleken dat er veel waarde gehecht moet worden aan het vergroten van de gemiddelde stuwkracht om verbetering van de zwemprestatie te bewerkstelligen. Voor de 100 meter en wellicht ook voor de 200 meter zwemmers is in dit verband naast het opvoeren van het uithoudingsvermogen vooral het vergroten van de kracht der bij het zwemmen gebruikte spieren van belang. Bij de langere afstanden is de invloed van de spierkracht op de prestatie niet overwegend, maar dient grote waarde gehecht te worden aan het uithoudingsvermogen en de factoren die van invloed zijn op de weerstand. Er bestaande goede gronden om aan te nemen dat door het invoeren van een periodentraining en de intervaltraining een betere en meer verantwoorde opbouw van de algemene conditie kan worden verkregen. Bovendien zal door de combinatie van deze twee trainingsmethoden met de spiertraining de gemiddelde stuwkracht sterk vergroot kunnen worden, die tot betere zwemprestaties kunnen leiden.